’t Schrijverke 2008
[En zo ziet dat eerste deel er nu uit, een volwaardig eerste hoofdstuk, met een titel. Nog niet helemaal af, want het is een WiP. Uiteindelijk krijgt de novelle vijf hoofdstukken, denk ik, de vorm wordt toch voor een groot deel door de inhoud bepaald, maar dat kan allemaal veranderen. In dit eerste hoofdstuk is er een keten van personages, die stuk stuk voor stuk het stokje aan elkaar doorgeven. Waarschijnlijk zal ik dat volhouden in de volgende hoofdstukken.]
1 Moderne Techniek
‘Putain Hollandais,’ sakkerde Felix Potin en tikte ongeduldig met zijn trouwring op het bakelieten stuur van zijn vrachtwagen. Recht voor hem deed een Daftruck volgeladen met personenautootjes poging na poging het Zundertse Oranjeplein op te rijden. De chauffeur kon de bocht niet maken omdat er een slordig geparkeerde zwarte Opel Kapitän in de weg stond. De in de was gezette personenauto’s op de oplegger huppelden zacht op de veren, als ongedurige kinderen die de Efteling in de verte zien naderen.
Prachtige trucks, die wagens van Daf, maar hij zou er zijn Volvo nooit voor willen inruilen. Als je eenmaal aan iets gewend bent… Allez, schuif die nazibak toch gewoon opzij, dacht hij, als je zo lomp parkeert dan verdien je het dat harde werkers zoals vrachtwagenchauffeurs krasjes op de lak maken. Of het hele ding in elkaar reden. Hij zou niet aarzelen, er waren er maar genoeg die van hem een lesje hadden gekregen. Even aantikken, of de wagen dwars ervoor parkeren gooien… en als ze een grote mond hadden lag de krik achter zijn stoel klaar. Ook die had hij wel eens gebruikt, al was hij geschrokken van het resultaat. Eventjes maar. Felix was geen man om ergens lang mee te tobben.
‘Merde! Moet ik het soms komen voordoen,’ gromde hij, toen de Daf weer verkeerd instuurde. Hier werd hij zo schijtziek van. De personenauto’s konden zich nog snel om de sukkelaar heen wurmen, maar met een vrachtwagen kon je dat wel vergeten en inmiddels stond het verkeer in beide richtingen muurvast. Hij zoog iets onbestemds uit de kies links achterin zijn bovenkaak. Dat kloppende kreng hield hem al een week uit zijn slaap. In zijn zijspiegels zag hij achter zich een file ontstaan. ‘Bouchon, bouchon.’ Vanaf Rotterdam was het al prijs. Het duurde eerst uren voor hij in de haven ingeladen was en daarna mistte het bij Prinsenbeek, er waren opstoppingen bij de rotonde Breda, zwalkende schoolkinderen op de fiets in Rijsbergen, invoegende vrachtwagens bij de honderden wegrestaurants langs de hele route... En dan moest hij Antwerpen en Brussel nog passeren en dan begon het hele circus bij de grensposten Mons en Valenciennes nog een keer. Waarschijnlijk werd het midden in de nacht aankomen in Auvers, in het galmende huis. Hij haatte dat, midden in de nacht aankomen. Het huis koud, zijn vrouw al in bed met beschuldigende krulspelden in haar haar, haar nachtjapon als onneembare vesting om haar lijf, de hond jankend in het hok buiten, de buren de andere ochtend chagrijnig omdat ze wakker waren geworden van zijn truck.
Opschieten was onmogelijk op de E-10, die zich na Breda door elk boerenhol van Nederland en België leek te slingeren, onveilig gemaakt door de lokale mafketels.
Felix claxonneerde naar de plaatselijke vertegenwoordiger van het soort, een broodmager mannetje op het trottoir rechts dat al de hele tijd gefixeerd was op de auto’s die afgeleverd werden en dat natuurlijk pas overstak op het moment dat Felix gas gaf. Allemachtig, sukkel, nog nooit een auto van dichtbij gezien? De remmen sisten venijnig en schudden de cabine heen en weer. Verontwaardigd drukte hij zijn claxon in, maar dat gaf niet genoeg voldoening. Om zijn verontwaardiging, woede en frustratie kracht bij te zetten nam Potin de moeite zijn raam open te draaien en er ‘salope, cochon,’ achteraan te slingeren.
Zelfs dat luchtte niet op.
De Volvo maakte snelheid. Op naar de grenspost in Wernhout. De papieren voor de grensformaliteiten lagen naast hem klaar. En dan maar hopen dat het niet te druk was, met een beetje pech werden de kantoren gesloten voor hij geholpen werd. Anderhalf uur bij de grens wachten tot zijn vracht ingeklaard was, dat was geen uitzondering. Kon hij weer in zijn cabine slapen. Het ergste vond hij dat het in ieder geval weer Nederlands eten zou worden vandaag en hij haatte Nederlands eten. Eigenlijk haatte hij heel Nederland met alle Nederlanders erbij en vooral die uit Zundert.
Felix Potin huiverde. Het was bar koud voor halverwege de novembermaand. Hij voelde aan zijn wang en zoog een vieze smaak uit zijn kies. Merde. De winter van 1963 beloofde niet veel goeds. Hij liet een keiharde scheet en snoof vergenoegd zijn eigen geur op. Zo. Dat was tenminste Frans eten geweest.
*
Cees Gommers was allesbehalve een
zwijn, klein, tenger en breekbaar als hij was. Iel zou hij
zichzelf nooit genoemd hebben — wat overigens iedereen
in het dorp wél deed. In zijn gezicht noemden ze hem Kiske,
Keesje. Achter zijn rug werd daar sinds de bewaarschool
‘de Mug’ achter geplakt. Nou ja, recht in zijn
gezicht ook wel. Hij zag er net zo doorschijnend, breekbaar
en nerveus zoemend uit, met zijn dunne ledematen, het schrale
nekje, zijn hoge stemmetje en de vèr-uiteenstaande, enigszins
puilende grijze ogen. De overeenkomst met het insect werd
versterkt door zijn vroeg ingezette kaalheid, die de roze
schedel door de vastgeplakte haren heen zichtbaar maakte.
Dus al
sprak Kiske de Mug amper Frans, hij wist heel goed wanneer
hij werd uitgescholden of gepest. De keren dat hij op school
aan zijn kraag aan de kapstok was opgehangen, zijn
plaaggeesten net buiten het bereik van zijn machteloos
schoppende voeten, waren ontelbaar. De achteloze duwen in
zijn rug als hij net over een regenplas stapte en voorover
ging, de tekeningen op het schoolbord, het gezoem op het
schoolplein, het gesmiespel achter hem in de kerk. Niet de
taal der liefde is universeel, maar de intonatie van het
scheldwoord.
Hij had de schurft aan dat chauffeursvolk dat rochelend en
fluimend het dorp passeerde, de straat voor zijn huis kapot
reed, verantwoordelijk was voor de barsten in de muren van
zijn huis, de lucht verpestte met zwarte roetwolken, de
vrachtwagens lomp op de parallelwegen voor de wegrestaurants
parkeerde, zich daar bezweet en stinkend volvrat – voor
het instappen vol zelfvertrouwen tegen een boom piste –
en met onverschillige arrogante koppen letterlijk en
figuurlijk op hem neer keek en smerige opmerkingen naar de
Zundertse meisjes maakte. Maar ja. Hij stond alleen in zijn
afkeer. Het dorp was er van afhankelijk, van het
vrachtverkeer.
Hij rechtte zijn schouders alsof hij daarmee de smerige
woorden van zich af kon laten glijden en stak over naar het
Oranjeplein. Daar werd zijn auto inmiddels voorzichtig van de
trailer gereden. Zíjn auto. Een Daf 750. Rood, met een wit
dak. Nu nog onder een dikke laag bruinig was die de lak
beschermd had op het opslagterrein van de fabriek in
Eindhoven, maar straks een blinkend voorbeeld van moderne
techniek. Goed, het was geen Kapitän zoals de steeds schots
en scheef geparkeerde auto van de dokter die daar op het
plein stond en ook geen Chevrolet als van de burgemeester.
Maar een eigen gloednieuw aangeschafte
‘luuks-waoge’, zoals ze in Zundert zeiden, was
nog steeds iets bijzonders. Hoeveel verlangen en afgunst zat
er niet in dat woord: een luxe auto. Moet je je voorstellen,
de luxe een auto te hebben alleen maar om mee te rijden en
verder niets. Hem zou je niet in zijn zondags pak in de
cabine van een bestelwagen of een pick-up zien zitten, zoals
je soms hele gezinnen op weg naar de kerk zag. Nee, een echte
personenwagen. Een vierzitter. Een sedan, met een kofferbak.
Een nieuwe. Zonder olievlekken op de bekleding, zonder
zaagsel en roestige spijkers op de vloermatten of meel tegen
de ruiten. Een luxe wagen. Geen stinkende vrachtwagen, zoals
die van die etter van een Fransoos, waarvan je al vuil werd
als je ernaar keek.
‘En, Kiske?
Tevreeje?’ Sjef Romme was uit de garage aan de overkant
van het plein komen lopen en kwam naast hem staan.
Cees Gommers zei niets. Zo vaak had hij de afgelopen maanden
al staan kijken naar de auto’s die op het plein werden
afgeleverd… Zo vaak had hij al bij Romme in de garage
in een nieuwe Daf gezeten en de geur van het maagdelijke skai
zo diep geïnhaleerd dat het leek alsof dat hij er dronken van
werd… Hij wist even niet wat te zeggen en liep
gloeiend van trots om zijn aanstaande bezit heen. Oh, het
moment dat hij voor het eerst de sleutel in het contact kon
steken om de motor te horen… Hij liet de auto veren
door op het spatbord te duwen en trapte tegen de banden.
Romme bekeek het met een ironische grijns. Ze waren allemaal
hetzelfde, die kerels. Er was er nog nooit een auto
teruggestuurd omdat hij niet goed terugveerde of omdat de
banden niet lekker schopten.
‘Gin spijt da’ ge gin Daffodieleke het besteld?
Of intje meej mir luuks?’ Uit een vettig pakje bood hij
Cees Gommers een sigaret aan.
‘Nee, geen Chief Whip op mijn lip,’ probeerde die
een grapje terwijl hij de met plakkerige was besmeurde handen
aan zijn zakdoek afveegde.
‘Dan nie, mooie meneer,’ mompelde Sjef
binnensmonds. Hij had een afkeer van mensen die hun afkomst
verloochenden en grootsig begonnen te doen, zoals dat in
Zundert noemden. Kiske had bij hem in de klas gezeten, dus
hij kon gewoon tegen hem doen zonder Hollands te praten. Sjef
had al die jaren geleden nooit aan het treiteren meegedaan,
net zoals hij nu de dorpsroddels aan de anderen liet. Dat
kinderachtige gedoe interesseerde hem niet. Inmiddels was
zijn vriendelijke houding meer ingegeven door berekening dan
uit nostalgie. Zijn vader had hem geleerd dat aan iedereen
viel te verdienen en kijk, nu was Gommers een klant. Voor
hetzelfde geld had hij een Fordje gekocht, bij zijn neef.
‘Kom d’overmorgen mar trug. Dan is-tie gepoetst
en he’k de papieren.’ Hij draaide zich om en liep
terug naar de werkplaats aan de overkant van de straat. De
sympathie van een middenstander is afhankelijk van hoeveel
hij aan je kan verdienen, zeker in Zundert, en aan het
goedkoopste, uitlopende model Daf was dat niet veel. De
kinderziektes waren eruit. Vroeger legde hij er met zijn
broer aan de lopende band nieuwe motoren en Variomatics in,
op kosten van het fabriek. Maar Kiske de Mug was zuinig op
zijn spullen, die zou zich wel keurig aan het schema van zijn
onderhoudsboekje houden en om de drie maanden voor de deur
staan.
Sjef
wachtte ongeduldig tot er een gat viel in de langzame trein
van vrachtwagens en hij kon oversteken. Steeds meer luxe
wagens ertussen, het leken er met de dag meer te worden.
Volgend jaar verwachtten ze al de miljoenste auto in
Nederland. Een miljóen, moet je je voorstellen... En in
Frankrijk zouden het er nog meer zijn en dan al die Belgen
die naar het dorp kwamen. Die benzinepomp waar zijn broer het
altijd over had, dat was misschien eens een goed idee, hier
aan de weg naar België.
Cees Gommers keek nog één keer om naar zijn Daf en zette op
huis aan. Er was een gure oostenwind opgekomen, die recht in
zijn gezicht blies tot zijn ogen traanden, en die de
Molenstraat nog langer maakte dan hij al was. Hij leek het
niet te voelen. Jazeker, Kiske Gommers was vanaf overmorgen,
18 november 1962, een meneer.
Wie hebben er allemaal een auto in Zundert, zong hij zichzelf
voor. De burgemeester, de notaris, de dokter, een handvol
middenstanders en... oja, Cees Gommers.
Nooit meer op de bus wachten.
Nooit meer met de fiets naar het seminarie op Wernhoutsburg.
Nooit meer met zware tassen lopen.
Voortaan zijn hand opsteken naar de tegemoetkomende dokter
(hij moest zich bedwingen het gebaar niet alvast te oefenen).
Op zondagmiddag vers brood halen in België.
In het voorjaar thuiskomen van de Keukenhof met een
bloemenslinger op de motorkap.
‘Nee, ik was in de buurt en ik dacht, eens kijken hoe
het gaat,’ zeggen tegen zijn zus in Emmerich. Alleen om
haar stomverbaasde gezicht te kunnen zien als hij kwam
voorrijden in een blinkende nieuwe auto, wilde hij haar wel
vergeven dat ze met een mof getrouwd was.
Terwijl rukwinden hem af en toe omver stompten zoals vroeger
de grotere jongens op het schoolplein, bleef hij de reeks
voordelen opzeggen als een rozenhoedje, en probeerde daarbij
beelden van verraste gezichten op te roepen. Alles om dat
nare gevoel uit zijn lijf te krijgen, alles om te proberen de
grauwsluier van die scheldende Fransoos weg te vagen. Die
mocht het niet verpesten. Zo’n nietszeggend figuur
mocht hem zijn feestelijke dag niet afnemen. Dit was zíjn
dag, dit was de dag waar hij jaren naartoe had geleefd. Maar
het schalde continu door de geopende ramen van zijn autootje
tijdens een gefantaseerde zomerrit: cochon!, salope!,
cochon!… Vanaf het Oranjeplein – kunstlederen
bekleding – langs Zaal Victoria – kruissnelheid
is topsnelheid – het postkantoor – moderne
techniek zonder schakelen – de Spar – ruimte voor
vier volwassenen – tot aan de tuinpoort toe. Bij elke
stap.
*
Wat een wind, dacht Mieke
Gommers. Waar komt die wind opeens vandaan? Ze stond al een
tijdje naar buiten te staren, ondertussen zacht over de rug
van haar rechterhand wrijvend. De jaren in het huishouden,
thuis en aan de overkant bij de notaris, hadden hun sporen
achtergelaten. De huid van haar handen, jarenlang ontvet door
groene zeep en uitgebeten door bleekwater, voelde als
schuurpapier, droog en schilferig. Werkhanden. Dat was niets
bijzonders, maar nu was het net alsof er naalden in haar vel
werden gestoken, alsof er een craquelé over lag als de
gebarsten ijskorst op een plas water in de ochtend. Het was
die koude droge lucht van vandaag. De radio hield sneeuw de
komende dagen. En dat niet alleen. Vorst. Storm. De vitrage
bewoog zacht in de windstoten die door de kieren bliezen. Een
paar overgebleven herfstbladeren raasden door de Molenstraat.
Meneer pastoor kwam voorbij, zijn hand op zijn hoed, voorover
in de wind. Hij deed haar aan een schilderij van Margritte
denken. Ze schaamde zich meteen voor de gedachte. Waarom? Hij
kon haar niet eens zien en, ach, op straat was het ook maar
een mens die op weg naar huis tegen de wind in moest lopen.
Ze
zuchtte. Het was maar goed dat Cees er nog niet was. Er zat
bezoek aan de keukentafel dat hem niet zou bevallen. Ze wist
dat het problemen zou opleveren toen de jongens lachend samen
binnenkwamen. Moeder Maria van God, toch niet díe?
‘Leon,’ had ze uitgeroepen, ‘Leon, wat doe
je nou.’ Hij keek haar verbaasd aan en toen ze zijn
blozende wangen zag en zijn vrolijke gezicht brak haar hart.
Ze herstelde zich snel. ‘Je weet toch dat je je voeten
moet vegen!’ Hoe lang was het nu al geleden dat ze hem
had horen lachen? Als baby lachte hij naar alles wat hij zag,
maar toen hij eenmaal naar school ging werd de lach van zijn
gezicht geveegd samen met de snotpieken onder zijn neus en de
modder op zijn knieën. Hij speelde nooit buiten, maar zat
binnen, verzonken in boeken. ‘Hij verleest zijn
verstand,’ zei haar moeder altijd misprijzend als ze de
stapel bibliotheekboeken op tafel zag liggen.
De jongen die achter Leon was binnengekomen stelde zich
netjes aan haar voor. ‘Ik weet wie je bent, jongen, ik
ken je wel,’ zei Mieke, ‘ga maar aan tafel
zitten, ik heb warme melk staan. Wil je er anijs in?’
Anijs, wat zei ze nu weer… Alsof het zondag was. De
jongen had een vriendelijke uitstraling. Een stevige hand
voor zo’n manneke nog. Een stevige kerel. Hij leek op
zijn vader. En dat evenbeeld van alles wat voor Cees Gommer
vies en voos was zat nu bij haar binnen. Ach Leon mijn lieve
jongen toch, zei ze onhoorbaar, ach jongen toch, wat doe je
nu weer?
Ze was naar de kamer gegaan om bij te komen van de schrik. Ze
hoopte dat ze dagdroomde, dat haar eigen wens dat Leon
vrienden maakte met haar aan de haal was gegaan. Maar toen ze
terugliep zat hij er nog steeds, alsof het de normaalste zaak
van de wereld was. En eigenlijk was het dat ook, twee jongens
die samen naar Breda fietsten naar de HBS en daarna samen hun
huiswerk maakten, als excuus om de dag door te nemen en
elkaar te overtreffen in verhalen hoe potsierlijk de leraren
waren en hoe vervelend de lessen. En hoe ze daar dan van
genoten.
De jongen was goed gekleed, zonder enig zichtbaar verstelwerk
in zijn kleren. Hij was vriendelijk en beleefd, zonder de
neerbuigendheid of arrogantie die diens vader onuitstaanbaar
maakte. Hij vulde kalm het verhaal aan van Leon, die
enthousiast vertelde dat de rugwind zo sterk was dat ze hele
stukken amper hoefden te trappen. Ze glimlachte en zei ze
verder moesten gaan met hun werk, dat ze hen met rust zou
laten en ging terug naar de woonkamer.
Mieke gooide voorzichtig, zonder te stuiven, wat kolen in de
kachel om het vuur aan het branden te houden. Het vuur
brandend houden zonder te stuiven, daar was ze goed in
geworden. Cees had zijn warme jas niet aan, straks vatte hij
nog een kou. Hij was al de hele dag onrustig geweest en vloog
naar buiten toen de zware oplegger beladen met Dafs voor het
huis inhield en grommend weer optrok. Een van die
auto’s was voor hen.
Een auto. Ze vond zichzelf niet iemand voor een auto. Wat
moest je met een auto. Ze hadden de Spar aan de rechterkant
en de groenteboer aan de andere. De slager en de bakker aan
de overkant van de straat, de bioscoop vlakbij en de kerk was
een minuut lopen. De grens, waar Cees bij de paters werkte,
was maar acht kilometer verderop. Vroeger had hij wel grotere
afstanden gefietst, toen reed hij naar de mulo in Breda. Elke
dag. Door weer en wind. Zo had ze hem voor het eerst gezien,
met zijn boekentas achterop, als hij door Rijsbergen fietste
waar ze geboren en opgegroeid was. Op weg naar Breda of op
weg naar Zundert. Ze was voor de vastberaden trek op zijn
gezicht gevallen en het enorme tempo waarmee hij de pedalen
draaide. Daar fietste iemand met een doel en daar zou hij
zich door niemand vanaf laten brengen. Ze was bij hem
achterop gesprongen. Letterlijk. En figuurlijk. Cees had
sindsdien het tempo en de richting bepaald en toen hij
bepaalde dat er een auto moest komen zou er een auto komen.
Ze schaamde zich er eigenlijk voor. Meneer de notaris had een
auto. Hoe kon de conciërge van de paters van Wernhoutsburg
dan ook een auto hebben. Het was boven hun stand. Ze hadden
er bijna vijf jaar voor kromgelegen, Mieke had zich bijna elk
pleziertje moeten ontzeggen, Leon droeg de afgedragen kleren
van de kinderen van haar zus, hij reed op een tweedehands
fiets naar Breda. En dan waren ze er nog niet. De verzekering
kwam er nog bij en wat kostte benzine wel niet en de
wegenbelasting en het onderhoud.
Meestal begreep ze haar man wel, maar dit, dit ontging haar.
Een auto. Dat mensen telefoon namen, dat snapte ze wel. En
een televisie, ze zou graag een televisie hebben. Maar een
auto? Wat moesten ze toch met een auto. En het leek wel of de
hele wereld er een wilde. De laatste jaren was het steeds
drukker geworden in de Molenstraat. Ze zag het aan haar
vitrage. Al een paar weken na de voorjaarsschoonmaak begon
die alweer te vergrauwen, daar kon geen poppetje blauw
tegenop. Vooral de rijen vrachtwagens die in wolken roet door
de straat rolden in de vakanties, als je soms wel vijf
minuten moest wachten voor je kon oversteken. En het huis
dreunde tot op de fundamenten. Ze hoorde het ’s nachts
vaak zuchten en kreunen, als het krakend van de jicht zich
langzaam weer in de oude vorm trok.
Cees was in dit huis geboren, zoals daarvoor zijn vader en
diens opa, en toch had hij het erover om het af te breken.
Die ouwe troep van meer dan tweehonderd jaar, wat moest je
met die ouwe troep, zei hij. Als hij kon zou hij er een mooi
modern huis voor terugzetten, met gasgestookte kachels, op
dat aardgas waar iedereen het al een paar jaar over had. Via
de paters kon hij gemakkelijker een lening bij de
Boerenleenbank krijgen.
Als het aan Cees lag werd heel Zundert afgebroken en
vervangen door nieuwbouw.
Daar was Cees. Hij liep met zijn hand op zijn hoofd alsof hij
zijn haar als een onwillig hoofddeksel wilde bedwingen. Mieke
Gommers zuchtte. Dit werd niet prettig.
*
Leon Gommers was graag in de
keuken. Hij hield van het snorren van het deksel op de pan
met stoofvlees. Hij hield van het roodgeruite zeil met het
kersmotief op de keukentafel, dat er al zo lang lag als hij
zich in zijn veertienjarige leven kon herinneren. Hij hield
ervan hoe de lamp een scherp afgesneden cirkel van licht op
de tafel wierp. Hij hield van de trompe d’oeil in het
geometrische motief in de tegels op de vloer. Hij hield van
de boerenbonte gordijnen en van het uitzicht op de tuin met
de hoge bomen waarin een ekster een slordig nest had gemaakt.
Hij hield van de beslagen ruiten omdat hij er poppetjes op
kon tekenen. Hij hield van de geur van een schenkel die stond
te trekken voor de bouillon. Hij hield van de onduidelijke
bezigheden van zijn moeder: het rinkelen van de ruitjes als
ze de keukenkastjes opende, het gerommel met de aslade bij
het fornuis, het tikken van de pook, het onverstaanbare
gemompel als ze nadacht, het zachte schuiven van haar
pantoffels op de vloer.
De
keuken was van begin af aan net zozeer zijn domein geweest
als het hare. De eerste jaren was hij nooit van haar zijde
geweken. Op een van de schaarse kinderfoto’s die er van
hem waren – gemaakt door tante Toos die nu onbereikbaar
ver in Duitsland woonde en waarover niet meer gepraat mocht
worden omdat ze onuitsprekelijks gedaan had – zat hij
aan haar voeten in de keuken, onder het aanrecht waar hij
haar niet voor de voeten liep, met een nylonkous om zijn nek.
De gronderige lucht van aardappels als hij het
gootsteenkastje opentrok was genoeg om hem aan het vertrouwde
gevoel te doen denken. Als ze aan de keukentafel zat, de
aardappelen te schillen of koffie te drinken met een
buurvrouw, dan legde hij een kussen onder tafel en viel aan
haar voeten in slaap, terwijl zijn hand over de gladde kousen
over haar kuit gleed.
En later genoot Leon van haar verstolen goedkeurende blikken
als ze hem bezig zag met zijn huiswerk en hij genoot van de
hapjes die ze soms op een schoteltje naast hem zette: de
garde bedekt met cakebeslag, een balletje gekruid rauw
gehakt, een boterham met een dikke laag wit reuzel met
suiker. En van de warmte genoot hij, nu de naderende winter
de rest van huis al had doen verkillen en de kachel in de
kamer overdag alleen zwakjes mocht gloeien. De keuken, met de
geurige warmte, waar de geluiden van buitenaf gedempt
doorklonken, dat was zijn moeder; de woonkamer, met de radio,
de krant en het passerende vrachtverkeer, dat was zijn vader.
Het was dus logisch dat Philip Antonissen en hij in de keuken
aan hun huiswerk gingen werken en niet in de stille, maar
kille woonkamer. Zijn moeder had de keukentafel leeggeruimd
zodat ze aan hun Frans konden werken, daarna was ze bijna
onhoorbaar verdwenen, alsof ze het plechtige moment extra
luister wilde bijzetten: de populairste jongen van zijn jaar
zat bij hem thuis zijn Frans te maken. Iets waar veel jongens
van droomden, maar iets waarvan Leon Gommers nooit gedacht
had dat het hem zou overkomen. Op de Sint Aloysiusschool al
wilde iedereen bij Philip in het gevlei komen. Philip was een
uitblinker, in alles. Als er teams werden gekozen bij de
gymles was hij aanvoerder. Het maakte niet uit wat voor sport
er gespeeld werd, hij miste nooit. Leon met zijn schokkerige
motoriek bleef altijd over bij het kiezen. Bij trefbal kreeg
hij eens een bal in zijn maag die zo hard aankwam dat hij van
de schrik had hij overgegeven, wat hem de bijnaam ’t
Kwakske had bezorgd.
Philip had geen bijnaam, hij speelde de hoofdrol in de
schoolmusical en kreeg als misdienaar na afloop van een
trouwmis de meeste fooien. Als de man van de Boerenleenbank
in de klas kwam, had Philip als eerste zijn spaarkaart vol.
Zijn cijfers waren niet zo goed als die van Leon, maar door
zijn opgeruimde zonnige natuur en zijn houding die soms wat
arrogant overkwam – aandacht verwent – was hij
het middelpunt van de klas. Elk schooljaar weer. En in Breda
op de hbs ging dat gewoon weer door.
Leon had gehoopt met een schone lei te kunnen beginnen op de
hbs in Breda, maar de andere jongens uit Zundert uit de groep
die naar Breda fietsten hadden Kiske de Mug achterop hun
bagagedrager meegenomen. Voor de herfstvakantie van het
eerste jaar wist iedereen op school, of ze nu uit Breda, of
de omliggende dorpen Rijsbergen, Prinsenbeek, Bavel of
Teteringen kwamen, wie ’t Kwakske was en wie zijn vader
was. Tot aan de hoogste klassen.
En toch zat Philip Antonissen nu bij hem in de keuken. Ze
waren vandaag de enige twee die twee uur eerder uit waren.
Philip had hem eerst met weerzin aangekeken toen ze de
schoolpoort uitreden, maar voor ze Breda uit waren raakten ze
in een gesprek, dat bij Zundert nog niet was afgelopen. Vlak
voor ze het dorp inreden had hij gevraagd of hij bij Leon
zijn huiswerk kon maken. ‘Da’s goed,’ had
Leon geantwoord, alsof het de normaalste zaak van de wereld
was. En dat was het ook.
De jongens schrokken op van een paar harde klappen buiten.
Leon sprong op en veegde de condens van het keukenraam af.
Philip maakte het wak groter met een over zijn linkerhand
getrokken mouw. Het was Leons vader die thuis was gekomen en
nu in gevecht was met de nieuwe poort die hun tuin van de
steeg afsloot. Het was een oneerlijke strijd, de wind speelde
vals door langs alle kanten langs de poort te wervelen. De
grote houten poort werkte als een zeil, nee, als een
onbestuurbare vlieger, met Kiske de Mug als belachelijke
staart er achter aan wapperend. Leon keek snel opzij en zag
een geamuseerde glimlach op Philips mond. Leon keek beschaamd
naar zijn vader in het dunne beige jasje, het gezwollen rode
hoofd met de haarslierten die voor zijn ogen waaiden. Hij
wist niet of hij in lachen of huilen moest uitbarsten. Of dat
hij hem misschien moest helpen. Leon leek amper op zijn
vader. Hij had de compacte gespierde bouw van zijn moeder,
met sluik zwart haar, dikke donkere wenkbrauwen en dikke
vlezige lippen. Zijn teint, de kleur van de uitlopers aan de
aardappelen die te lang in het gootsteenkastje hadden
gelegen, kwam van zijn vader. Verder had hij van de man de
koppigheid die door roeien en ruiten ging, tegen beter weten
in. De verbeten trek rond de mond die zijn vader had ontbrak.
Maar die zat er aan te komen.
‘Kom we gaan weer zitten,’ zei Leon toen zijn
vader eindelijk de grendel op de poort kon zetten. Hij zag de
man nadenkend naar de tweede fiets op de cour kijken.
*
Philip Antonissen kwam graag bij
anderen op bezoek. Het verbaasde hem iedere keer weer hoe
achter de gevels van de huizen die in een en hetzelfde dorp
stonden de levens zo konden verschillen.
[...]