Retour Nürtingen 1945-2005
Bluthardt. Hier staan we dan. Is het niet ironisch dat het bedrijf waar je twee jaar gedwongen moest werken zo heette?
Ja. En de oude Bluthardt deed zijn naam eer aan. Na het zoveelste geval van sabotage werd ik naar het kantoor geroepen. Ik was de hoofdverdachte omdat ik ‘Chef’ genoemd werd. ‘Nee, Sjef,’ zei ik. ‘Zo heet ik, Sjef’ Hij geloofde me niet. In mijn werkboekje stond immers Josef en hij ranselde me persoonlijk af tot ik zou toegeven. Maar ik gaf niet toe. Dat kostte me een tand. Daarom sta ik altijd met gesloten mond op de foto.
Wat deed je precies?
Bluthardt was een kogellagerfabrikant. In de oorlog werden er voornamelijk onderdelen voor kanonnen gemaakt. Er was veel machinebouw in Nürtingen. Metabo komt ook uit Nürtingen. Ik had ook in Berlijn kunnen terechtkomen. Of het Ruhrgebied. Waarom ik juist naar Bluthardt gestuurd werd weet ik niet. Toeval. We sliepen in houten barakken. Ik heb kampen gezien met Russische krijgsgevangenen. Die hadden het nog slechter dan wij. Nee, Bluthardt was een nare, koude man, niemand mocht hem.
Toch ben je ontelbare keren teruggegaan naar deze streek. Waar je ook heenging, waar je ons ook mee naartoe nam, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Joegoslavië, altijd werd er in Frickenhausen overnacht. Inclusief bezoek aan Karl Weinman.
Als je over ‘Goede Duitsers’ praat, dan heb je het over Karl Weinman. Hij werkte ook bij de Bluthardt Werkzeug- und Maschinenfabrik en zijn zoon Kurt was maar een paar jaar jonger dan ik. Eigenlijk was hij geen Duitser, hij was naar Amerika geëmigreerd en net met zijn gezin op bezoek bij zijn zus die nog in Frickenhausen woonde. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en kon hij niet meer terug. Omdat hij te oud was voor het front moest hij aan de werkbank. Daar stonden we dan met zijn tweeën. Weinman was een goede Duitser. Zijn vrouw Sophie was als een tweede moeder voor me. Ik was nog nooit verder dan dertig kilometer van huis geweest en opeens zat ik zevenhonderd kilometer van huis. Zij adopteerden mij. Als ik verlof kreeg mocht ik het weekend met hem mee. Frickenhausen was niet veel groter dan Zundert, ik voelde me er thuis. Tegen het einde van de oorlog ben ik door hun zorgen niet verhongerd. Daarna hebben we altijd contact gehouden. Zo gauw het kon in die naoorlogse jaren ben ik ze gaan opzoeken.
Ik weet het. Die eindeloze middagen en avonden bij Weinman thuis. De oorlog was al 26 jaar voorbij toen je ons in 1971 voor het eerst meenam. Het zei me allemaal niet zoveel. Ik snapte het niet. Jouw verhalen waren deel geworden van de familiefolklore. Een handvol glimmendgeslepen kiezels, zonder scherpe randjes. Af en toe kregen we loodzwaar bezoek van Gerard Bouwmeester, een oudere man uit Breda die met jou bij Bluthardt gewerkt had. Ik herinner me ook nog hoe we ons zuchtend op een steen lieten zakken als je in Duitsland bovenop een berg in jouw steenkolen-Duits een wildvreemde over Bluthardt vertelde. Altijd maar weer diezelfde verhalen. Gelukkig reageerden de mensen altijd heel beleefd.
Dat kan ik van jou niet zeggen. Het betekende heel veel voor mij om mijn zoon mee te nemen naar de plekken waar ik in de oorlog kwam. Ik heb je de gebouwen van Bluthardt in Nürtingen laten zien. We zijn naar de waterval van Urach geweest. Naar Teck en naar Blaubeuren met zijn legendarische Blautopf. We zijn door de appelboomgaarden gewandeld, door de eindeloze naaldbossen met hun sterke geur en verende bodem en we zijn naar de ruïne van Hohe-Neuffen geklommen. De Swäbische Alp is een van de mooiste gebieden van Duitsland, los van mijn geschiedenis daar. Dit is de beroemde Barokstraße. En wat deed jij? Jij zat een boek te lezen of je keek zwijgend de andere kant op.
Maar dit is voor jou het Duitsland van de oorlog Jij zag nog steeds overal inslagen van kanonskogels. Je bent niet helemaal eerlijk, pa. Er is een foto waarop we samen trots bovenop Hohe-Neuffen staan, ik met knokige knieën en een Daf Racing Team T-shirt. En een wandelstok vol plaatjes en emblemen van elke bezienswaardigheid. We gingen wel eens met zijn tweeën door de bergen rijden, alleen om te kijken of ons Dafje een helling van zeventien procent aankon. Al die plekken zijn in mijn geheugen gebrand. Ik zag echt wel dat het idyllisch was, met op elke straathoek een sigaretten- en snoepautomaat. (Ze staan er nog steeds, zie ik nu, dat geloof je toch niet.) Ik genoot van die vakanties, nog steeds denk ik er met veel plezier aan terug. Met uitzondering van de ontmoetingen die je op je praatstoel brachten.
Het spijt me dat de verhalen je verveelden, maar besef je dat ik door niets op te kroppen misschien wel voorkomen heb dat ik gek werd? Ik heb twee jaar bij Bluthardt afgezien. Het laatste half jaar hoorde ik niets van thuis, omdat Brabant bevrijd gebied was en toen ik weer thuiskwam werd er over ons gekletst. Want in de Arbeitseinsatz hielp je de oorlogsindustrie van Duitsland op gang houden. In Zundert gingen mensen dood door bombardementen en afzwaaiende V1’s op weg naar Antwerpen. Dat had ik onder andere mogelijk gemaakt. Vond men in Nederland. Ach ja. Kurt liep in een uniform van de Hitler Jugend en daar heb ik hem ook nooit op aangekeken. Kijk eens goed naar die groepsfoto die gemaakt is op ons welkomstfeest. Zie jij daar vreugde? Maar wat had ik moeten doen? Onderduiken? Ik had vier broers, die hadden dan ook moeten onderduiken en mijn vader ook. Wie had er dan geoogst, hoeveel kinderen zouden er van de honger zijn omgekomen? Toen jij bijna negentien was ging je in een Bilthovense villawijk op kamers wonen om te studeren. Toen ik bijna negentien was werd ik in Nürtingen in een barak met wandluis gestopt om dwangarbeid te verrichten. Wie ben jij dan om over mij te oordelen?
Ik oordeelde niet. Ik was een jongetje. Een puber, en pubers lopen te zieken. Ik heb je nooit verweten dat je naar Duitsland bent gegaan. Je deed wat toen het beste was voor jullie gezin. Het verschil tussen held en lafbek wordt altijd pas achteraf bepaald. Ik denk dat ik me eerder voor dingen schaamde. Je dronk bij periodes teveel. En je was nooit thuis, altijd de hort op. Je kwam op zondag altijd te laat voor het eten, ook met Pasen en Nieuwjaar en zelfs op elk Kerstdiner wat ons ma maakte. En als je thuis was zei je niets of je viel in slaap. Niet naar jouw verhalen luisteren als je eens wat zei was mijn wapen.
Ik ben er niet trots op. Maar er is een verband met mijn tijd in Duitsland. Het heeft twee jaar geduurd voordat ik weer een beetje in mijn oude doen was. Ik had carrière kunnen maken op de grenspost Wernhout-Wuustwezel, maar ik hield het daar niet uit. Ik kon er niet tegen als iemand mij bevelen gaf. Ik kwam elke dag te laat op mijn werk tot ik ontslagen werd. Daarom heb ik uiteindelijk een deel van het bedrijf van opa overgenomen. Ik was het gelukkigst als ik buiten of onderweg was. Met kolen of stookolie op weg naar klanten in het dorp, met muesli en lecithinepoeder op weg naar een natuurvoedingsfabrikant in Twello. Of anders op de akker, of in de boomgaard, schoffelend tussen de aardbeien of de morellenbomen. Ik had niet zoveel met knusheid. Binnenzitten was niets voor mij, thuisblijven trouwens ook niet. Ik moest er altijd uit, ook naar het buitenland. Hoeveel ooms en tantes ken jij die zo vaak op reis gingen als wij?
Weinig. De Nouwsen zijn geen reizigers. Maar ik ben ook graag onderweg, net als jij. Al moet ik toegeven dat ik graag telkens dezelfde weg afleg, net als jij. Ik ben graag in het buitenland. Al moet ik toegeven dat liefst telkens naar dezelfde plek ga, net als jij. Hoe ben je eigenlijk thuisgekomen? Via dat traject langs de Rijn? Ik vind dat een van de mooiste treinreizen van Europa.
Had je maar beter geluisterd toen ik nog leefde, hè? Het Rode Kruis haalde ons terug, maar de verbindingen waren slecht door de geallieerde bombardementen. Soms was het spoor verdwenen, alle bruggen over de Rijn waren weg. Ik heb gruwelijke dingen gezien... We werden teruggebracht in goederenwagons. Goederenwagons... Hoe beladen kan het worden. We kwamen aan in Venlo waar we onderzocht en ontluisd werden. Ergens in juni 1945 was ik weer thuis. De precieze data weet ik niet meer. Ik had een kist waarin alle papieren zaten. Daar zit ook een album in met foto’s van de reis terug. Weet je waar die gebleven is?
Die kist heb ik. Hij staat op mijn kantoor.
Zit het notitieboekje er nog in? Ik kreeg van thuis een dagboekje mee, maar er zit weinig regelmaat in mijn verhalen. Alleen de eerste en laatste weken heb bijgehouden. Ik ben niet zo’n schrijver. Maar ik kreeg veel brieven van thuis. Ze werden geopend door de Duitsers, daarom gingen ze over het weer, de oogst en liefdesperikelen. Het was fijn om dat te lezen, hoe het leven verder ging in Nederland. In september 1944 hield het op. De invasie van Noord-Brabant was toen begonnen. De Baronie van Breda werd op 29 oktober bevrijd. Ik moest toen nog een half jaar en dat was een zwaar half jaar.
Weet je wat ik zo gek vind? Terwijl de brieven die jij schreef allemaal weg zijn, heb jij alle brieven aan jou bewaard. Je hebt echt alles bewaard. Je verblijfsvergunning, Duitse en Engelse propaganda, bekeuringen wegens overtreding van de avondklok. Alles. Ik vind dat opvallend omdat ik ook alles bewaar. Ik kan geen schroefje weggooien.
Het was een houvast in Duitsland, om mijn thuis niet te vergeten en de hoop op terugkeer vast te houden. En het was een manier om niets te vergeten toen ik weer terug was. Maar het schijnt dat veel Duitslandgangers een neiging tot hamsteren, verzamelen en bewaren hebben gekregen. Als je lange tijd ergens gebrek aan hebt gehad ga je er op een andere manier naar kijken. Het is dan net alsof je je meer aan voorwerpen hecht dan aan mensen. Het is frappant dat ik dat op jou heb overgedragen. Net zoals die onrust, waardoor jij ook aan het reizen bent geslagen. Denk je dat we op elkaar lijken?
Ja. Daarom ben ik blij dat de kist er is. Dat is een tweede kans om je te leren kennen. Je bent zelf dood. De jongste Nederlander die in de Arbeitseinsatz heeft gezeten moet nu 78 zijn, dus de kans ooit een van je maten uit Nürtingen te spreken is nihil. Ik heb het geprobeerd hoor, ik ben op zoek geweest naar al die namen. En nu is het bedrijf van Bluthardt begin dit jaar platgegooid.
Ja, het is weg. Nooit gedacht dat ik er zo onverschillig onder zou blijven, maar in 1945 hoopte ik vaak genoeg dat er afzwaaiers van de bombardementen op het vliegveld van Stuttgart op Bluthardt zouden terechtkomen. Ik heb er genoeg afgezien. Opgeruimd staat netjes. Maar jij bent er nog binnen geweest?

Ja. In de machinehallen. In de kelder, waar jullie niet meer durfden te schuilen uit angst dat de machinerieën door de houten vloer zouden zakken en in de barakken waarvan ik me bijna niet kon voorstellen dat het dezelfde waren als in jouw tijd. Ik had nooit gedacht dat het zo zou aangrijpen als het deed, bijna zestig jaar later. Ik vraag me af wat een Bosniër denkt als hij over zestig jaar de ruïne van het politiebureau ziet waar zijn vader werd gemarteld. Of een zoontje van een leerling van de school in Beslan als hij in 2050 voor het gebouw staat.
Hetzelfde als jij en ik, denk ik. We gingen wel vaak terug naar Frickenhausen, maar zelden naar Nürtingen, daar reden we altijd snel doorheen. Ik ben er zelf maar twee keer naar teruggekeerd. Als je nog eens door mijn fotoalbum in de kist bladert zie je uitgelaten jonge kerels op een berg, aan de oever van de Neckar, of grappend en grollend voor een fontein. Het eerste jaar was het een stuk gemakkelijker om op pad te gaan. We plunderden kersenbomen, we gingen in de winter skiën, ver voor het mode was. Later werden ze strenger en zaten we meestal binnen, bij elkaar. Weet je, ik ging niet terug naar de plek waar ik dwangarbeider was en waar mensen voor mijn ogen doodgeschoten zijn. Maar naar de wijde omgeving, waar ik zo goed ontvangen ben. Jouw probleem is dat je me altijd als een middelbare man in Duitsland zag, vader van vier kinderen en kolenboer. Maar ik was toen een jonge kerel die recht vanonder moeders rokken de wrede werkelijkheid van een oorlogseconomie werd ingeschopt. Opeens was mijn wereld een barak in Nürtingen, met andere jonge kerels uit Nederland, België, Noorwegen en Letland. Samen schiepen we voor onszelf een nieuwe orde die het mogelijk maakte te overleven. Weg van ons dorp, weg van het ouderlijk toezicht, wars van conventies. Om op een vergelijking terug te komen: het was net als die tijd dat jij ging studeren.
Ik begin het te begrijpen. Je had er de tijd van je leven. Is dat wat je wil zeggen? Pa?
Ja. Ik had er de tijd van mijn leven jongen, en ik heb me daar altijd schuldig over gevoeld.
--
Arbeitseinsatz
Door de mobilisatie van miljoenen Duitsers kwamen boerderijen en fabrieken eind 1941 zonder werknemers te zitten en ontstond een grote behoefte aan vervangende arbeidskrachten. In januari 1942 verklaarde Goering het noodzakelijk arbeiders uit de bezette gebieden te verplichten voor de Duitse oorlogsindustrie te werken.
Onder Fritz Sauckel, die de Arbeitseinsatz coördineerde, werden miljoenen Europeanen weggevoerd. In Nederland kreeg Fritz Schmidt de taak Nederlanders te ronselen voor Duitsland. Op 23 maart 1942 werd het Nederlandse Landoorlogreglement, dat werken voor een vijandelijke mogendheid verbood, buiten werking gesteld. Eind maart 1943 waren er al zo’n 230.000 Nederlanders tewerkgesteld. Uiteindelijk liep het door krijgsgevangenschap en razzia’s op tot een half miljoen. Van hen keerden er 30.000 door ziekte en uitputting niet meer terug.
Tussen 1939 en 1945 zijn bijna acht miljoen buitenlandse arbeiders ingeschakeld in de oorlogseconomie. In de wapenindustrie werd uiteindelijk de helft van alle arbeidsplaatsen vervuld door buitenlanders.
Sauckel werd na de processen van Neurenberg op beschuldiging van slavernij opgehangen.
Uit het dagboekje van mijn vader
Vanaf 12 Oct heb ik niets meer van thuis gehoord. We zijn erg nieuwsgierig naar bericht van thuis hoe zal de bezetting daar afgelopen zijn? Hier horen we niks meer dan in ’t bezette Nederlandse gebied niks dan honger en kou en armoe maar als ik maar eenmaal mijn rode kruis bericht van thuis terugkrijg dat ik weggestuurd heb op 8 Dec en 10 Jan. Wat er van komt dat zullen we maar afwachten. Ik heb soms van die echt rare dromen waarna ik soms dagen achtermekaar niet was te spreken. Ben nl. [bang] dat ik thuis kom en dat ik niks meer vind en zo verder maar ik zal er maar niet veel geloof aan hechten.
(25 januari 1945)
