Nooit meer slapen in Kiruna
Ronald!
Ik heb de schurft aan het citeren van andere schrijvers in je eigen werk, maar vooruit, als je het niet doorlult: Cees Nooteboom heeft ooit gezegd dat als ons lichaam met de Concorde reist, onze geest er met de trekschuit achteraan sukkelt. Je weet dat ik bij voorkeur met mijn 21 jaar oude Dafje rondjes door Europa rijd — in mijn eentje reis ik liefst jetlagvrij per trein, de trekschuit van onze tijd.
Ik moet zeggen dat ik weinig aan jouw observaties over het Britse landschap kan toevoegen. In Nederland rijden de treinen over spoordijken en in Schotland het grootste deel van de tijd door… tja, hoe moet ik het noemen? Spoorgrachten? (Makkelijk: dak erop en je hebt een HSL-tunnel.) Kortom: ik heb weinig gezien tussen Glasgow en Edinburgh, behalve dood gras, kale struiken en zwerfvuil. En alleen als ik mijn nek verrekte: de grijze lucht.
Dat Theaterfestival van Edinburgh schijnt slechts twee weken per jaar te zijn, maar mij houden ze niet voor de gek. Op het station al stond een acteur met fluorescerend hesje toeristen de weg te wijzen. Hij stuurde me naar een popperige straatje, waar een herenhuis zich voordeed als hotel. Op mijn nachtkastje lag een uitgebreid programma. Ik heb het toneel in de whiskystokerijen, de happenings in de kristal-ateliers en theaterworkshops in de burchten van Edinburgh overgeslagen. In plaats daarvan koos ik voor het straattheater op de Leith Walk, de drie kilometer lange boulevard van het centrum naar de haven. Er was een duidelijke voorkeur voor 'arte povere'-theater, moet ik zeggen. Met een minimum aan middelen (opgestapelde tweedehandsmeubelen, van verf ontdane winkelpuien) werd het maximale effect van een armoedig bestaan bereikt. De acteurs in Helen's hairdressers, Ahmal's Kebab en de charity shops zagen er verdomd overtuigend verloederd uit. Iedereen bleek geschminkt, met rossige pishaarpruiken en net-echte tatoeages.
's Avonds heb ik meegedaan aan een publieksparticipatievoorstelling, een zogenaamde ghost tour. Een onverstaanbare Schot die eruitzag als de dood van Pierlala leidde ons langs plekken in de stad waar geëxecuteerde misdadigers en hun slachtoffers nog steeds spoken. Het was een goede voorstelling. Toen de steegjes en hoekjes van Edinburgh donker werden en de nevel uit zee optrok, begon ik me echt benauwd te voelen.
Nou probeer ik in elk land de plaatselijke gerechten, dus het kan ook de fish'n'chips geweest zijn (ik wil niet weten wat haggis voor effect zou hebben gehad). De fish'n'chips met brown sauce. 'What kind of sauce is brown sauce,' vroeg ik nog aan de verkoopster, toen ik tussen twee voorstellingen even kon eten. Ze keek me aan of ik gek was en zei: 'It's brown.'
Ik heb, voor ik naar Zweden vertrok, overigens ook nog echt Brits ontbeten: eieren, worst, bonen, cornflakes, slappe koffie. Ik was de enige gast in de ontbijtzaal zodat de kok tijd had om een praatje te komen maken. Hij was een slecht acteur. Hij beweerde dat hij Belg was, maar mijn 'Waar kom je vandaan?' verstond hij niet.
Ik ben jaloers op je, Ronald, dat je door de Kanaaltunnel hebt gereisd. Ik heb 23 uur op de Scandinavian Princess gezeten die van Newcastle naar Göteborg vaart. Een brommer gaat goddorie sneller dan zo'n veerboot. Ik snapte opeens hoe Maarten Biesheuvel aan zijn verhaal Brommer op zee komt, waarin een vent op een brommer een schip inhaalt. Shit, begin ik weer over een andere schrijver. Maar ja, de Noordzee is zo saai dat prijzen vergelijken in de taxfreeshop of het passeren van een booreiland al een attractie wordt.
Doet de naam Scandinavian Princess je niet ergens aan denken? Een hint: Pacific Princess. Juist, Love Boat. Je had het moeten zien! 's Avonds in de nachtclub van het schip! Eén grote geile bende! Dansen alsof het schip nooit meer zou aankomen! Tango! Foxtrot! Chachacha! Vogeltjesdans!
Danstijgers plukten vrouwen van hun tafeltje, veegden er de dansvloer mee schoon en brachten ze daarna terug naar hun looprekje. Tussen dit ballroomgeweld door huppelden twee mongolen tussen de dansers. Langs de kant zat zo'n echte Zweedse Inga: lang, blond, opgemaakt, beeldschoon. Met daarnaast zo'n echte Zweedse Björn: breed, kortgeknipt, getatoeëerd, lelijk. Wenend heb ik me toen teruggetrokken in mijn hut. Ik zag namelijk dat de mongolen haar wel ten dans durfde te vragen. Had ik jouw fotograaf maar bij me gehad, dan had ik zijn rubberen reisvagina even kunnen lenen.
Even als schrijverds onder elkaar, vind jij nou ook niet dat het leven intenser is, lelijkheid lelijker en schoonheid schoner als je op reis bent?
Ik kwam aan in een uitgestorven Göteborg. De bewoners sliepen namelijk hun roes van de Mittsommerafton uit. Daarom moest ik op het station ontbijten, tussen de verkreukelde reizigers. Ik deed alsof ik er achter mijn mørgenbrøt helemaal bij hoorde, maar wie op een station moet ontbijten hoort er per definitie niet bij.
Göteborg is erg mooi, stelde ik later vast vanuit de trein naar Stockholm. Zo gaat dat, bij Interrail. Zo heb je maximaal drie uur in de mooiste stad van de wereld en zo zit je acht uur vast op een stationnetje waar de wc een gat in de vloer is.
Als je wel eens in Maastricht bent geweest, weet je dat Nederland aan de randen het mooist is, want tamelijk ongeschonden door projectontwikkelaars en horecahorken. Dat geldt dus ook voor Europa: de randen zijn het mooist. Stockholm, gebouwd op veertien eilanden, kent amper megalomane hoogbouw. Geelgesausde huizen. Kinderkoppen in de straten. Toen ik door Gamla Stan liep, de oude stad, waande ik me in Boedapest. Wat is Stockholk mooi.
Weet je, op reis moet je nieuwe inzichten opdoen en van clichés verlost raken. Goed, de Zweedse vrouwen lijken meer op Frida dan op Agnetha. En ik heb in New York wel eens duurder gegeten en gedronken. En voor de meeste Zweden is een Volvo onbetaalbaar. Maar voor de rest werd elke gemeenplaats van Zweedse orde en reinheid bevestigd: er stonden mensen midden in de stad te vissen (zou jij een visje uit de Oudegracht of de Amstel lusten?) En de zwervers zagen eruit alsof de gemeente Stockholm hen 's avonds ophaalde, douchte, instopte en de andere dag in schone kleren met een busje weer naar de pleinen bracht om rondzwervende blikjes in de prullenbak te gooien. Dat deden ze namelijk. Echt.
In het Vasamuseet werd trouwens een ander cliché om zeep geholpen. Dit museum is om een na driehonderd jaar geborgen schip heengebouwd. Het indrukewekkende oorlogsschip, de Vasa, sloeg door een ontwerpfout op zijn eerste reis al om. In de haven. De ontwerper was een Nederlander.
Stockholm barst van de activiteiten en rituelen. Gelukkig stonden ze in de Rough Guide, zodat ik er niet op hoefde te wachten. Zo schijnen Stockholmse studenten regelmatig naakt door de straten te trekken, met hun kleren in een sliert achter zich (dat is weer eens wat anders dan een corpbal die in je brievenbus piest en tegen je voordeur kotst). Maar goed dat ik dat gemist heb, anders was de intercity naar het Noorse Narvik zonder mij vertrokken.
De Nordpilen is trouwens ook voor Zweden de meest logische manier om naar het noorden te rijden, dus hij was zoals gebruikelijk al maanden tevoren volgeboekt. Ik moest achttien uur zitten.
Over cliché's gesproken: ik leer nooit mensen kennen op reis (of ik moet de keer meetellen, lang geleden, dat die kleine kale nicht me probeerde aan te randen). Maar als je achttien uur in een volgepropte Nordpilen zit, ontkom je er niet aan. Ik zat tegenover twee Björnen. De ene Björn deed promotie-onderzoek naar 'a small green plant with little yellow flowers'. Er is een foto van W. F. Hermans (ik ben nu toch bezig), gemaakt tijdens de expeditie waar Nooit meer slapen op gebaseerd is. Daar leek hij op. De andere Björn ging zijn dienstplicht vervullen bij Kiruna in Lapland, tweehonderd kilometer boven de poolcirkel. Mijn eindbestemming trouwens.
Ons gezellige gesprek over racisme (niet goed), politiek (zinloos), drankprijzen (hoog), Nederland (blowen, de Wallen) de Zweedse gehaktballetjes in de restauratiewagen (lekker!), Finse tango (uniek) en het landschap (wist je dat Zweedse dorpen genoemd zijn naar tafeltjes, lampen en slaapbanken?), werd af en toe onderbroken als er elanden wegvluchtten voor de trein. Alle Zweden keken dan opgetogen naar buiten, omdat je zelden elanden in het wild ziet. Daar ging weer een cliché.
Van slapen kwam overigens niet veel en dat lag niet alleen aan de zon die om 11 uur onder ging en om 3 uur weer opkwam. We hadden een conducteur met smetvrees. Hij kwam met veel kabaal om het uur de vuilnisbakken leegmaken en het gangpad stofzuigen.
'Als dit Narvik was zou ik beter kijken,' schijnt er in de Rotterdamse bibliotheek te staan. Na achttien uur was ik in Narvik en er was niets te zien. Ertstreinen uit Kiruna, ja. Pubers die zich kapot verveelden en daarom vol piercings en tatoeages een beetje rondfietsten. Uit verveling ben ik daarom voor Greenpeace in de supermarkten gaan kijken of ze walvisknakworsten verkochten en ontdekte dat je de Noorse colaflessen gewoon bij Albert Heijn kunt inleveren.
Op de weg terug naar Kiruna kwam ik in een coupé met Interrailende meisjes uit Utrecht terecht. Rugzakken, kwebbelen, stapels met Cosmo's… Ik vraag me af hoe een groep bejaarde Interrailers eruit zal zien: wandelstokken, middagdutjes, gebitsbakjes… Ik ben overigens opzettelijk bij die meiden gaan zitten omdat ik je afschuw van Interrailers niet deel. Ik herken mezelf erin, als zeventienjarige met puistjes en verwachtingsvolle ogen op mijn eerste Interrailreis. Maar ja. Toen was ik te verlegen om met ze aan te pappen. Nu te oud.
Je weet waarom Edmund Hillary de Mount Everest beklom, Ronald? 'Because it's there.' De poolcirkel passeren was mijn Everest. In Narvik geweest zijn, het noordelijkste treinstation dat met Interrail is te bereiken, ook. En de Middernachtszon zien, natuurlijk. Dat allemaal, daar ging het om op deze Interrailreis, mijn derde.
Kiruna is de grootste Zweedse stad boven de Poolcirkel. IJzerertsmijnen zijn de voornaamste werkgever. De wijde omtrek bestaat uit leegte, het maanlandschap uit Nooit meer slapen (is-tie weer) en verder vijftig miljoen muggen. De plaatselijke bevolking rijdt een beetje verveeld rond in grote Amerikaanse sleeën uit de jaren zestig en zeventig. Parkeergelegenheid genoeg.
Ik was er op precies 21 juni. De Mittsommerafton vieren ze in heel Zweden, maar alleen boven de Poolcirkel gaat de zon ook echt drie maanden niet onder. Stel je voor, een dag van bijna tweeduizend uur, een dag waarin je een boek kunt schrijven. Het was zo ongelofelijk raar, dat ik vergat dat ik veertig uur wakker was. Bijna hallucinerend liep ik over straat en wierp een schaduw van honderd meter. De zon! Om kwart voor twaalf! Om vijf voor twaalf werd het opeens heel druk. Tientallen mensen maakten foto's van de klokkentoren van de ertsmijn die om middernacht in het zonlicht baadde. Ook voor de meeste Zweden is de middernachtszon een bezienswaardigheid.
Ik weet dat je nog erger dan ik last hebt van heimwee (volgens mij haat je het reizen zelfs). Waarom gaan we dan iedere keer weg? Geloven we zélf in het romantische cliché dat schrijvers moeten reizen?
Wat dat betreft is Interrail ideaal voor ons. Eigenlijk alleen geschikt om er steden mee af te reizen, zijn het juist de eindeloze uren door het langzaam verglijdend landschap, met Wim Mertens, Madredeus of Abba als soundtrack op de walkman, die je tijd geven om te lezen, mensen te bekijken, te peinzen, of filosofietjes te bedenken. Ergens kort veel indrukken opdoen en er dan later alle tijd voor hebben om er een verhaal van te maken. Of zoals Bernlef (nu ga ik er gewoon mee door) het al zo treffend zei: 'Dat denken mensen vaak, dat schrijvers mensen zijn die veel hebben meegemaakt. Nee, schrijvers zijn mensen die zoveel mogelijk mee willen maken.'
Ik zie je in de Bastaard.