Nooit meer slapen in Kiruna 1ste versie
Hoelang zijn we dit jaar nou bij elkaar geweest? De vorige twee keren duurde het veel langer. Maar nu weet ik tenminste zeker dat ik nooit meer van je af kom, je zit voorgoed in mijn bloed. De eerste keer was ik te jong voor je, de tweede keer vertelden ze me dat ik afscheid van je moest nemen. Deze vijf of zes dagen waren veel te kort. Het voelde goed.
Ze zeggen altijd dat oude liefde niet roest. Dat klopt. Als op Utrecht CS de deuren van de Mondriaan Expres openzwaaien en de zeeplucht uit de plee drijft, ben ik stante pede een zeventienjarige met krentenbaard, voor het eerst met jou op vakantie. Voor het eerst verder dan 600 kilometer van huis, in een hete trein op weg naar Spanje.
Alsof het gisteren was. Ik stapte in Glasgow met je in de trein naar Edinburgh als een verliefde dwaas. Samengetrokken maag. Licht in mijn hoofd. De geur die opstijgt als de bank warm wordt van je billen. Dagelijkse dingetjes die opeens een bijzondere betekenis krijgen zoals auto's en telefooncellen: ik ben in Edinburgh voor ik 'Eau non potable' kan zeggen.
Er zijn mensen met je naar zonnige stranden gereisd, maar met jou moet je van stad tot stad reizen. Brussel, Parijs, Barcelona, Berlijn, Lissabon (O, Jeruzalem aan de Taag...), Boedapest, overal heb je me laten verdwalen. Nooit glimmende VVV-folders of uitgaanspagina's van de plaatselijke krant bekeken. Gewoon meegereden tot het eindpunt van de metro en dan maar kijken waar ik kwam. Meestal waren dat plekken waar de mensen alleen hun eigen taal spraken, zodat ik ook honger leed. En dorst.
Daarom vergat ik de whiskystokerijen, de kristalateliers en de burchten van Edinburgh en wandelde de Leith Walk af, naar de haven van Edinburgh. Bijna drie kilometer wentelen in het dagelijks leven van Schotland. Helen's hairdressers. Ahmal's Kebab. En charity shop na charity shop, waar meubilair, koelkasten en kleding hoog staan opgestapeld. Je laat me de tweedehandswinkels tellen en ik weet hoe de plaatselijke economie er voor staat.
We waren te vroeg voor het Theaterfestival van Edinburgh, maar het dagelijkse leven was al theater genoeg. 's Avonds trokken mannen en vrouwen in cape's verkleed door de stad. We volgden ze. Als de avond valt is het tijd voor de ghost tours, wandelingen langs de plekken in de stad waar de gemartelde en geëxecuteerde misdadigers en hun slachtoffers nog steeds spoken. Het was oplichterij, maar toch: toen het sfeervolle Edinburgh, vol steegjes en hoekjes, donker werd en de nevel uit zee optrok, begon ik me steeds benauwder te voelen. Het kon natuurlijk ook de fish'n chips met brown sauce geweest zijn. 'What kind of sauce is brown sauce,' had ik aan het verkoopstertje gevraagd. Ze keek me aan of ik gek was en zei: 'It's brown.'
Helaas reden er geen treinen naar Zweden, maar de veerboot was een goed alternatief. Het enige trouwens. De Scandinavian Princess: dat deed me aan de Pacific Princess denken, de Love Boat. En niet onterecht. Hoe vaak kon ik op de overtocht van twintig uur de taxfree-shop doorkruisen? Het schip had ik na twee rondjes gezien. De nachtclub was een aangename onderbreking. De drank was onbetaalbaar, maar het amusement gratis. Danstijgers plukten vrouwen van hun tafeltje, veegden er de dansvloer mee schoon en brachten ze daarna terug naar hun looprekje, om daarna schaamteloos de handen op de billen hun kleindochters te leggen. Tussen dit ballroom-geweld door schuifelden twee mongolen in hun eigen ritme tussen de dansers door. Als ik met jou alleen op stap ben is net alsof het leven intenser is, lelijkheid lelijker en schoonheid schoner. Je opent me.
Göteborg was 's ochtends uitgestorven, de bewoners sliepen hun roes van de Mittsommerafton uit. Ik ontbeet op het station, tussen de verkreukelde reizgers en deed alsof ik er helemaal bij hoorde. Maar wie op een station moet ontbijten hoort er per definitie niet bij.
Onze eerste keer samen was in '78. Ik was jong en onzeker en het liep op een sof uit. Ik heb daar acht jaar mee gelopen voor ik me weer door je durfde te laten verleiden. Ik was bijna te oud voor je. Acht dagen voor ik 26 werd vertrok ik. We eindigden in het mysterieuze Boedapest. Ik reed half november weemoedig terug in een nagenoeg lege wagon. Ik dacht dat ik je voorgoed kwijt was. Tien jaar later schreef ik een boek over je.
En zie: dit jaar kwam je terug in mijn leven: ik kreeg zes dagen samen en ik wilde meteen doen wat er de vorige keer niet van kwam. Naar de poolcirkel. Ik overnachtte in Stockholm dat me erg aan Boedapest deed denken, waarschijnlijk omdat de stad nog redelijk ongeschonden is. Amper megalomane hoogbouw. Geelgesausde huizen. Kinderkoppen in de straten. Stad op veertien eilanden.
Zoals het hoort open jij nieuwe inzichten en vaag je clichés voor me weg. Ik dacht dat alle Zweden op Björn Borg leken en alle Zweedsen Inga heetten, maar de Zweedse bevolking is even gemêleerd als de Nederlandse. Maar ik zag ook een zwerver een voorbijwaaiend blikje in de vuilnisbak gooien en hij was netter gekleed is dan ik. Zou de gemeente Stockholm alle zwervers 's avonds ophalen, douchen, instoppen en de ander dag met schone kleren weer afzetten?
Zonder jou zou ik nooit naar Skånsen gegaan zijn, een enorm attractiepark. Een kruising tussen een Openluchtmuseum, een dierentuin, en een volkenkundig museum, bevolkt door muziekgroepen in folkloristische dracht. Het oogde op de een of andere manier veel minder oubollig dan Achterhoekers die de Driekusman doen. Ik vond het zelfs mooi. Of was het omdat ik met de ogen van een verliefde dwaas keek? Gek trouwens, heb ik toch de VVV-folders gevolgd: je bracht me naar het Vasamuséet. Het idee van een compleet schip waar een museum omheengebouwd is, was zo bizar dat ik het móest zien. De confrontatie met de Vasa, na 300 jaar geborgen, was indrukwekkend. Dat ze hiervoor in de 17de eeuw de technische kennis hadden. Hoewel, de Nederlandse ontwerper was geen licht. Het schip sloeg op zijn eerste reis al om. In de haven.
Je moet met jou alleen steden afreizen, maar juist om wat je niet bent, ben je interessant. De eindeloze uren door het eentonige landschap, het langzaam verglijden, het ritme van de rails, met Wim Mertens op de walkman voor de soundtrack. Madredeus, Abba. Ik ben dankbaar dat je me de uren geeft om te denken over de zin van het bestaan, quasi-diepzinnige filosofieën te construeren. Onzin verdrijft onzin. Ik kan niet slapen als ik onderweg ben, maar dat komt goed uit. Ik vind het zonde om te slapen, ik ben bang dat ik zoveel van je mis. Daarom wilde ik misschien naar de poolcirkel, de middernachtszon zien. Vijftien uur reizen, de zon niet zien ondergaan, afzien, nooit meer slapen.
Om een uur of zes vertrok de Nordpilen, de intercity van Stockholm naar Narvik in Noorwegen, het noordelijkste treinstation van Europa. De Nordpilen is ook voor Zweden meest voor de hand liggende manier om naar het noorden te rijden, dus hij was zoals gebruikelijk al maanden tevoren volgeboekt. Ik moest vijftien uur zitten.
De middernachtszon zag ik in de trein niet, al werd het nooit echt donker. Het Zweedse landschap is vanuit de trein eentonig, maar helaas niet slaapverwekkend. Op de bank tegenover me zaten twee jonge Zweden, waarmee ik aan de praat raakte. Small talk, gebabbel, ik leer met jou zelden mensen kennen. Ik dronk met hen bier uit mijn koffer, op alcoholistentemperatuur. De ene had twee jaar door Azië gereisd op een motor en deed nu promotie-onderzoek naar 'a small green plant with little yellow flowers'. De andere ging zijn dienstplicht vervullen bij Kiruna, ver boven de poolcirkel. Hij ging voor het eerst noordelijker dan Stockholm. Toen er elanden wegvluchtten voor de trein keken ze opgetogen naar buiten, die zagen ze zelden in het wild. Daar ging weer een cliché.
Na Kiruna werd het landschap steeds ruiger en indrukwekkender. Rauwe kloven en watervallen, dalen, bevroren meren. Bij een van de minimalistische stationnetjes stapt de Zweed uit. Een helicopter zou hem komen ophalen.
Ik wist niet eens hoe mijn reisgenoten heetten.
'Als dit Narvik was zou ik beter kijken,' schijnt er in de Rotterdamse bibliotheek te staan. En nu was ik in Narvik en er was niets te zien. Ertstreinen uit Kiruna, ja. De straat was vergeven van pubers die zich kapotverveelden en daarom niets anders deden dan gepiercd en getatoueerd een beetje rondfietsen. Maar het was het noordelijkste treinstation. Er geweest zijn, met jou, daar ging het om.
Dus ik ging weer terug naar Kiruna &emdash; reizen met jou is een cirkel die telkens anders afgelegd kan worden. Ook geen bijzondere stad, Kiruna, met de ijzertsmijnen als voornaamste werkgever. In de wijde omtrek alleen leegte, een maanlandschap, vijftig miljoen muggen. Amerikaanse sleeën uit de jaren zestig en zeventig in de brede lege straten. En een zon die weigerde onder te gaan. Dit was zo in strijd met alles wat ik kende dat ik vergat dat ik al bijna veertig uur wakker was. Bijna hallucinerend liep ik over straat en wierp een schaduw van honderd meter. Weet je nog hoe we midden in de nacht op een Frans station vijf uur op een trein wachtten? Alsof je me probeert te breken. En ik verlangde ernaar. Alleen met jou. Om vijf voor twaalf baadde de klokkentoren van Kiruna nog in het zonlicht. Voortdurend stopten er auto's die dit filmden. De meeste Zweden wonen in het zuiden, waar dit ook een bezienswaardigheid is.
Ons lichaam kan sneller dan het geluid reizen maar onze geest reist nog steeds met de trekschuit, las ik eens. Deze kostbare dagen die me werden gegeven reisde ik juist mijn geest achterna. Er zal een vierde keer komen met jou. Ik wil eeuwig het landschap langzaam zien verschuiven tot ik er ben. Maar dat is het mooie en tegelijk het trieste van jou. Ik kom nergens. Jij bent er niet om ergens aan te komen. Jij bent een lange omweg terug naar huis.
[In 1998 werd het mogelijk voor volwassenen een Interrailkaart te kopen. Nadat de hoofdredacteur van Rails De gemonteerde vrouw had gelezen, dat zich tijdens een Interrail-reis afspeelt, kreeg hij het idee voor een reisreportage: een estafette van vijf schrijvers die door Europa reizen. Gelukkig was ik een van die vijf. Ik koos ervoor naar Lapland te gaan. Ik was nog nooit boven de Poolcirkel geweest.
Nadat ik mijn verhaal had ingeleverd, bleek Ronald Giphart zijn verhaal in de vorm van een brief aan mij te hebben geschreven. Op verzoek van de redactie heb ik mijn verhaal toen herschreven als antwoord. Een soort Giphart-pastiche, dus. Dit is de eerste versie van het verhaal.]