De mythe wil dat Adam en Eva in Sri Lanka aankwamen toen ze werden verjaagd uit het Paradijs. Dat was dan een straf van niets — behalve wanneer ze gedwongen waren geweest in Colombo te gaan wonen.
De hoofdstad van Sri Lanka is een twaalf kilometer lange aaneenschakeling van trein- en busstations, onaffe huizen, sloppenwijken, regeringsgebouwen, bouwvallen en markten waar alles te koop is tegen absurdistische prijzen. En anders wordt het je op straat ongevraagd wel te koop aangeboden, door mannetjes op plastic teenslippers, die bijna al hun tanden nog hebben. Dit is wat mensen per vergissing sfeervol en authentiek noemen, maar wat eigenlijk bittere armoe is.
Al eeuwen lang wordt hier gesloopt, vervangen, uitgebreid en het verleden weggegevaagd. De wijken hebben geen namen maar nummers. Er is wel een sporadisch monumentje. Er wordt zelfs af en toe een architectonisch interessante gevel bewaard om er een bankfiliaal achter te bouwen. Maar de straten zien er altijd uit alsof er net een bom is ontploft. Colombo is een stad die zichzelf uitwist.
De enige reden om naar Colombo te gaan is het wonderlijke Galle Face Hotel dat sinds de stichting in de vorige eeuw de Britse koloniale sfeer heeft weten vast te houden. Personeel in klassiek witte uniformen, het gesleur met koffers, grote hoge zalen, piepende plafondventilatoren, ruisende palmen, gevernist hout en marmeren vloeren brengen je moeiteloos een eeuw terug. Op het uitgestrekte terras grenzend aan de Indische Oceaan wordt slechte koffie geserveerd, maar het uitzicht op de zonsondergang is onvergetelijk.
Er staat een man voor me. Als het laatste stukje vlammend rode zon in de Indische Oceaan is verdwenen en draait hij zich om. Alsof hij er persoonlijk verantwoordelijk voor was dat deze voorstelling goed voor me zou verlopen glimlacht hij verlegen en zegt: 'Finished.'
Het hotel grenst aan een zandvlakte langs de wandelboulevard die hoopvol 'Galle Face Green' heet. 's Avonds slenteren gezinnen en stelletjes er langs de venters, die limonade of garnalenkoekjes verkopen. Kinderen schieten jengelend heen en weer. Ze zeuren om een vlieger.
Als ik terugga naar mijn eigen hotel moet ik me door de haag scharrelaartjes heenworstelen. Hotel en boulevard zijn niet alleen van elkaar gescheiden door een rood koord tussen messing paaltjes. Hier loopt de dollargrens. Met, zit je op een terras; zonder, loop je door het gras.
Is het dan raar dat ik met mijn Lonely Planet in de hand, factor 20 op mijn neus en een Nikon rond mijn nek als een wandelende giromaat wordt gezien?
Eenmaal buiten de stadsgrenzen van Colombo is het alsof je een vuile jas hebt uitgetrokken. Er zijn geen seizoenen, het is altijd zomer. Vogels waar ik nooit eerder van hoorde vliegen over. Geurige kruiden groeien langs de weg. Dierentuindieren kuieren gemoedelijk door de berm. Sri Lanka lijkt één groot park. En ontnuchterend genoeg is dat ook zo. Ogenschijnlijke wildernissen zijn zorgvuldig gecultiveerde ananas- en bananenplantenkwekerijen. De bergen zijn groen van de theestruiken. Alle meren, vol lotusbloemen, reigers en varanen, aangelegd, sommige honderden jaren geleden. De palmbomen langs de weg produceren kokosnoten, vezels en wijn.
In tegenstelling tot schoonheid verveelt lelijkheid zelden en die is er gelukkig in dit sprookjesachtige landschap genoeg. Wie het zelf niet betalen kan laat zijn complete huis opschilderen door Unilever of Coca-Cola; de eenvoudige vierkante huisjes veranderen daardoor in reusachtige Sunlightzeep- of colaverpakkingen. Het past goed bij de bedrijvigheid langs de Sri-Lankaanse wegen, want nagenoeg iedereen verkoopt wat. Van complete truck-cabines tot de thambili, de king coconut, die goed is tegen een kater. Van yoghurt in aardewerk potjes tot vuurrode bananen, die de potentie stimuleren. Een autorit van Colombo naar Kandy verandert daarom al snel in een verkoopdemonstratie.
Wapperend met hun waren springen krankzinnig mooie vrouwen in strakke sari's de weg op. Cashewnoten en vis. Batik en rotan. Aardewerk en edelstenen.
De agressieve verkoopmethode is maar een van de redenen waarom je zonder auto met chauffeur bijna nergens komt. De wegen in Sri Lanka zijn ingericht op voetgangers, ossenkarren en jonge mannen die hun verliefd kijkende vriendinnen met golvende haren voor op de stang van hun fiets meenemen. Ze moeten die delen met brommers met drie passagiers, melktransporten per motor, auto's zonder remlichten, overbeladen busjes, vrachtwagens met schuivende lading en bussen zonder voorruit. En olifanten. Er geldt op de weg een recht van de sterkste, maar toch probeert iedereen bellend, schreeuwend en claxonerend als eerste over te steken of te passeren.
Wie niet durft in te halen komt nergens, in Sri Lanka.
In Nederland is het levensgevaarlijk te gaan rijden zonder ruitenwissers, hier kun je het beste maar thuisblijven als je claxon het niet meer doet. Mijn gids en chauffeur Harry de Silva haalt vlak voor aanstormende tientonners in de bocht in en drukt tuktuks en brommers in de berm. Maar voor een miniem vogeltje op een paal zet hij zijn bril op en hij maakt een noodstop voor een overstekende varaan.
Niemand draait een raampje open, er worden geen vingers opgestoken en de ergste verwensing die Harry een voetganger met vijf meter rioolbuis op de schouder toeslingert is: 'Heb je soms vannacht ruzie met je vrouw gehad?' Dit is boeddhistenland, waar men respect heeft voor het leven en voor elkaar.
Er zijn vijf leefregels om te voorkomen dat je een ander kwaad doet, zegt Harry. Niet doden; niet kwaadspreken; niet stelen; je niet bezondigen aan seksuele uitspattingen en geen bedwelmende middelen gebruiken. Dat uit zich in vergevingsgezindheid, meeleven en tolerantie. Dat herhaal ik in mijn hoofd als ik door Kandy loop. Dat hoort bij het boeddhisme en hier zou er het vanaf moeten druipen, maar bitter genoeg is het een en al oliedrums, prikkeldraad en mitrailleurs. Kandy is de religieuze hoofdstad, het centrum van de Singalese en boeddhistische cultuur. Er wordt een orthodoxe vorm van het boeddhisme aangehangen, dat in strijd met alle beginselen een politiek lading heeft gekregen en streeft naar een boeddhistische staat. Daarin is geen plaats voor een hindoeïstische Tamil-minderheid: religie, politiek, oud koloniaal zeer. Regeringsleger en Tamil Tijgers hebben over en weer zulke gruwelijkheden uitgehaald dat het moeilijk is nog positie te kiezen. De meeste mensen hebben genoeg van het geweld, maar hun mening houden ze voor zichzelf.
Midden in de stad staat de Dalada Maligawa, de 'Tempel van de tand', waar een tand van Boeddha wordt bewaard. De allerheiligste plek van het land. Alleen het vliegveld wordt zwaarder bewaakt. Als ik van mijn hotel langs de Tempel naar het centrum van Kandy wil lopen stuit ik op een wegversperring. Maar terwijl de Kandyanen kilometers moeten omlopen, mag ik passeren. De militairen glimlachen en knikken me toe alsof ze willen zeggen: 'Loop maar door, excuses voor de het ongemak, let er maar niet op, het heeft niets met jou te maken.' In een onwezenlijke sfeer loop ik over de uitgestorven straten rond de Tempel.
Elke avond wordt er een folkloristische zang- en dansshow opgevoerd in Kandy. Traditioneel geklede danseresjes proberen je terug te brengen naar het Sri Lanka van voor de koloniale overheersing. Als de mannen aan het eind van de voorstelling ritueel over het vuur lopen, verlaten langs de zijkant van het toneel de fragiele danseresjes de zaal. Het haar in een staartje, hun make-upspulletjes in een rugzakje, gekleed in spijkerbroek en T-shirt en op modieuze gympen. Hun voorstelling is over.
Waar je ook bent, je leert de mensen van een land het beste kennen in de bus of de trein. Zelfs als je per eersteklas panoramarijtuig reist van Kandy naar Nuwara Eliya, de hoogstgelegen stad van Sri Lanka. Vijftienhonderd meter omhoog, zeventig kilometer verderop en vier uur rijden. De enige Sri-Lankaan in de wagon filmt de watervallen en de uitgestrekte theeplantages. Zijn vrouw geeft haar kind de borst. Als ik naar de wc ben geweest (iemand heeft vergeefs geprobeerd de bril schoon te rochelen) loop ik de trein door. Nieuwsgierige schooljongens in een smetteloos wit schooluniform testen hun Engels uit. De trotse beheerder van de restauratiewagen nodigt me uit voor een kop thee of een hap curry uit een palmblad. Voor aan de trein hangen de tweede- en derdeklasrijtuigen, waar de mensen zich rijen dik aan de buitenkant klemmen. Net als je denkt dat het niet voller, niet erger, niet smeriger kan, wordt halverwege met dikke touwen een wagon vol gebruikte bielzen vastgekoppeld. Het panoramarijtuig biedt nu uitzicht op zes mannen die op de lading balanceren en met de hand moeten remmen om het touw strak te houden. Na een paar minuten begint het apocalyptisch te regenen. Ze kijken me wezenloos en doornat aan. Hier rijdt de vierde klasse, van mij gescheiden door drie panoramaruiten.
Honderd meter voor de eindbestemming breekt het touw en slaat met een enorme klap door het glas. Van alle kanten komen mensen naar me toe, plukken bezorgd het glas van me af, helpen me uitstappen en dragen mijn spullen naar buiten. Harry is inmiddels gearriveerd. Hij kijkt gespannen toe.
Nuwara Eliya is niet meer dan een enorme uit zijn krachten gegroeide bushalte. De charme zit hem dan ook in de ligging op tweeduizend meter hoogte, en in de omgeving. De hoogste berg van Sri Lanka, Adam's Peak, waar Adam de eerste voet op aarde zou hebben gezet. De zevenhonderd meter diepe kloof World's End. Het natuurgebied Horton Plains. Bus na bus wordt hier binnengereden om de toeristen in jeeps door de natuurgebieden te jagen.
Door het ongeluk met de trein had ik zoveel vertraging dat ik het natuurschoon aan me voorbij moet laten gaan. Maar ook hier gaat de voorstelling weer door. Elk luxueus hotel, voornamelijk door toeristen bezocht, probeert het de gasten zoveel mogelijk naar de zin te maken. Tijdens het eten zingt een uitgedoste band liederen uit het land van de gast. Als ik de tweede keer langs het dinerbuffet ben gelopen, komt de band beleefd vragen waar ik vandaan kom. Ik heb vanavond chansons, schlagers en ballads gehoord, maar Het kleine café in de haven zit er niet in. Uit wanhoop dat ze het me niet naar de zin kunnen maken kiest de zanger iets Zuid-Amerikaans.
Naast me schuift een groep in shorts geklede buitenlanders aan. En jawel, Nederlanders. Binnen de kortste keren heeft een van de dames de gitaar aan de band ontfutselt en begint gristelijke liederen te zingen. De gitarist van de band staat schaapachtig te lachen tot hij zijn gitaar terugkrijgt. Alles om het de gasten naar de zin te maken.
Sri Lanka is het land van de edelstenen en onderweg waarschuwt Harry me voor oplichters en bedriegers. Als ik dan toch iets wil kopen kan ik dat beter via hem doen. Het is voor hem een erekwestie dat zijn gasten kwaliteit kopen, want hij krijgt 15% commissie. Hij wil niet dat iemand kwaad op hem wordt.
Opeens begrijp ik waarom de ene kokosnotentent niet deugde en de andere wel en waarom hij paniek raakte toen het restaurant waar we wilden lunchen gesloten bleek.
Op een paar reservaten na is er geen ongecultiveerd land in Sri Lanka. Al eeuwen niet meer. Tussen Kuda Oya en Thanamalwilla leidt een zandpaadje naar een parkeerterrein. Een verweerde olifantenschedel geeft de ingang aan van een junglekamp. Tussen de bomen staan een stuk of tien oude legertenten onder rieten overkappingen. Daarmee houdt het op, want elke tent heeft een douche en een wc. Maar niemand van het kamp valt uit zijn rol. Het personeel komt trots de ruzieënde apen in de bomen boven de tenten aanwijzen en als er een witte paradijsvogel op een tak zit word ik bijna uit mijn stoel gesleurd. Het jongste personeelslid moet me de olifantendrollen honderd meter verderop aan het water laten zien. Ik word een beetje agressief van de bulbuls, green pigeons en de dumbonna, 'de vogel die rook eet', maar dan zie ik Harry in een sarong voorbijkomen, met een verrekijker om zijn nek. Voor ik het weet zit ik met hem aan de araq. 'Four out of five isn't bad,' glimlacht hij, als ik vraag hoe het met de vijf boeddhistische regels zit.
Om het echt te maken is er geen elektrisch licht en bij het licht van olielampen wordt er een barbecue voor me gemaakt. De kok heeft er zijn hoge witte muts voor opgezet. Omdat ik de enige gast ben word ik door het voltallig personeel tijdens het eten bemoedigend toegelachen.
Harry had al verteld dat Bridge over the River Kwai in Sri Lanka opgenomen was en na mijn bezoek aan het junglekamp weet ik het zeker: ik ben op een filmset. Als je jungle wilt, dan kun je jungle krijgen.
Als je niet van natuur en geschiedenis houdt heb je niets in Sri Lanka te zoeken. Het strand van Unawatuna aan de zuidkust is geweldig en het water is er altijd 27 graden maar wie gaat er voor een strandvakantie veertien uur het in het vliegtuig zitten? Duitsers.
Gelukkig slapen ze niet in guesthouse Nooitgedacht, een sprookjesachtig achttiende-eeuws Dutch house. Harry vertelt me dat deze huizen van koraal zijn gebouwd. Als je een gaatje in de muur wilt boren om een lamp op te hangen is de kans groot dat er een heel stuk uit de brosse muur valt. De enige manier om het onderhoud te betalen is door er een museum of hotel van te maken.
Tot Harry's afgrijzen wil ik per bus of tuktuk van Unawatuna naar Galle, tien kilometer verderop. En dat terwijl hij een Toyota Corolla met airco heeft.
Meer dan twee eeuwen lang heeft Nederland in Sri Lanka geregeerd, toen Ceylan genaamd. De hele wijk Fort in Galle is een heus Nederlands VOC Openluchtmuseum in de tropen. Vestingen, Dutch houses, kerken, tot straatnamen aan toe. Terwijl Over de Leyn Baan Street groepen jonge schoolmeisjes paraderen, probeer ik me voor te stellen hoe hier drie eeuwen geleden de Nederlanders in hun lakense pakken liepen te zweten.
Galle is nu een historisch pretpark. De attracties zijn de ineengezakte figuren die op een bankje zitten en tot leven komen wanneer je in de buurt komt. 'Zelf opgedoken' VOC-aardewerk blinkt (Made in Holland lees ik op de achterkant), cobra's gaan dansen, kleden gaan wapperen en schatkistjes met beslagen Portugese en VOC-munten openen zich.
Na een uur ben ik het geouwehoer over Nederland beu. Ik ga in op het aanbod om de vuurtoren op het Utrecht bastion te bezichtigen. Boven kan niemand me storen. Bij de sieradenwinkel ertegenover weet men waar de sleutel te vinden is. In de tussentijd vertelt de vriendelijke eigenaresse dat ze al sinds jaren zaken doet met Nederland, dat haar sieraden in een wereldwinkel in Enschede te koop zijn en dat haar man daar iemand kent. Ze pakt een mapje en laat een foto zien. Verdomd, die komt me bekend voor, denk ik.
'Maybe you have heard of him,' zegt ze. 'His name is Herman Finkers.'
Ik had het kunnen weten.
Als ik terugkom in Nooitgedacht zit Harry al op me te wachten met de fles araq. Hij kijkt verlangend naar de antieke VOC-lamp aan het plafond en peinst dat hij best voor zichzelf zou willen beginnen. Het staat me plotseling tegen, dat gewentel in het koloniale verleden, die voortdurende show die er voor me wordt opgevoerd. Het is te mooi, het klopt allemaal te goed. Wat vindt hij van het etnisch probleem? Van het toerisme? Van de armoe? Dat zou ik aan Harry willen vragen. Maar ik ben bang dat Sri Lanka een groot Dutch house is. Als je er een klein gaatje in heb geboord valt er misschien een heel groot stuk uit.
'Wiener Dschungelbar' wijst een bordje aan de zuidkust van Sri Lanka. Zelfs in een land waar donkerbruine mannen in sarong 'Harry de Silva' kunnen heten en eilanden 'Delft' moet ik even slikken. Drie Westerse overheersers hebben hun sporen achtergelaten. Van Portugal zijn alleen de achternamen als De Silva, Mendes en Perera overgebleven. Van Nederland de scheepswrakken, de massieve forten en de Dutch houses. Van Engeland de organisatie van het land en de theeplanta Van de vierde, het toerisme, zullen zegeningen achterblijven als 'Bierstübl Unawatuna', 'Zimmer frei' en natuurlijk 'Hello friend. You like little girl?'
Vooral in Colombo.