Heimwee naar Zundert
Er is een gedenksteen gemetseld in het pand dat in 1904 het geboortehuis van Vincent van Gogh verving. Ik heb er vaak naar staan kijken. ‘IK GEVOEL DAT MIJN WERK IN T HART VAN T VOLK LIGT. BRIEF 197A AAN THEO. HIER WERD OP 30 MRT 1853 VINCENT v GOGH GEBOREN.’ In het midden de afbeelding van een fenix die herrijst uit de as. Ik was een kind, het zei me niets, maar aan de manier waarop mijn ouders erover spraken voelde ik dat het iets bijzonders was. Vincent van Gogh, dé Vincent van Gogh, was geboren in Zundert.
Tot een jaar of tien geleden stopte de bus naar Breda vlak voor dat huis. Generaties dorpelingen zijn vanaf die plek vertrokken naar een andere stad, een ander land of een ander leven, vanaf die plek waar Van Gogh zijn reis begon op zoek naar een baan, een doel, het leven, de liefde, de kunst — op zoek naar zichzelf.
Ik ben ook vanaf daar vertrokken. Maar zo gemakkelijk verlaat je Zundert niet. Mijn plaatsgenoot Wim Voermans, hoogleraar Strafrecht in Leiden, omschreef het als volgt: ‘je kunt wel weggaan, maar je sjouwt altijd de toren van de Heilige Trudokerk mee op je rug.’ Ik woon nu langer in Utrecht dan ik in Zundert heb gewoond, ik weet de weg in de meeste hoofdsteden van Europa, ik heb op vier verschillende continenten gestaan en inderdaad: waar ik ook ga, ik kom altijd uit Zundert.
Vincent van Gogh schreef het vanuit het gesticht in Saint-Rémy-de-Provence aan zijn moeder :
Aan het portretje van mijzelf dat ik erbij voeg, zult u zien dat ofschoon ik Parijs, Londen en zoveel andere grote steden zag en dat jarenlang, ik toch er zo min of meer als een boer van Zundert [...] uit ben blijven zien en ik verbeeld me soms, ik ook zo gevoel en denk.
Saint-Rémy, circa 21 oktober
1889
‘O
Jeruzalem, Jeruzalem! of liever, o Zundert, o
Zundert!’
Het is een favoriete quizvraag: ‘Waar is Vincent van
Gogh geboren?’ Op het briefje van de presentator staat
dan meestal ‘Nuenen’ als antwoord, en soms
‘Etten-Leur’. Vooruit, dat laatste zit er maar 11
kilometer naast.
Het komt iedere keer hard aan in Zundert, maar de vergissing
is te beredeneren. In Nuenen begon hij in 1883 serieus met
schilderen en maakte hij De aardappeleters, het bekendste
schilderij uit zijn Hollandse periode. En daarbij: wie weet
waar Piet Mondriaan geboren is? Maar toch: in Zundert werd
ook de kúnstenaar Van Gogh geboren. Daar en nergens anders
werd de basis gelegd voor zijn kunstenaarschap.
In een katholiek dorp vielen domineeskinderen behoorlijk op:
kind van een notabele, een ander geloof, en dan ook nog
Hollands praten, in plaats van plat Zunderts. Dominee Van
Gogh gaf zijn kinderen daarom een voorbeeldige opvoeding. Hij
bracht ze op met respect voor de natuur. Hij gaf hen mee dat
boeren onbedorven mensen waren die dicht bij de natuur
leefden en maakte lange wandelingen met ze rondom het dorp.
Liefde voor de natuur en nadenken, achter de schermen van het
toneel kijken, analyseren, de Van Goghjes leerden het in
Zundert, zoals hij bijna twintig jaar later aan zijn broer
Theo schreef:
...we hebben dat misschien te
danken aan onze jongensjaren in Brabant en aan een omgeving
die veel meer dan meestal 't geval is ertoe meewerkte om ons
te leren denken...
Den Haag, 22 oktober 1882
(274)
Aardappeleters,
zonnebloemen, irissen, oogstlandschappen: Zundert, bedankt.
‘Vessént Fegoch’, zoals ze het daar uitspreken,
is voor de inwoners van Zundert net zo vanzelfsprekend als
kerstmis op 25 december en naar rechts kijken bij het
oversteken. Iedereen zette zijn voetstappen in de zijne,
bewust of niet. Wie over de hei van landgoed De Moeren
zwierf, door landgoed De Pannenhoef liep, bij de Grote Beek
salamanders ving, in de tuintjes rondom het katholieke
kerkhof speelde en kastanjes raapte op het protestants, heeft
de omzwervingen van de jonge Vincent gevolgd.
Zundert is de trotse bezitter van een beeld van Ossip Zadkin,
maker van Verwoeste stad in Rotterdam. Rondom dit eerbetoon
aan Vincent en Theo werd van 1968 tot en met 1993
‘Autour de Vincent’ gehouden, een van de eerste
kunst-muziek-literatuur-oude ambachten-marktjes van
Nederland. Ik weet nog hoe ik trots thuiskwam van een
‘kinder-kunstworksjop’, waar iedereen zich een
kleine Van Gogh kon voelen. Ik had een kattenkop uit een stuk
gasbeton gebikt. Mijn vader prees me niet, maar werd kwaad
omdat ik daarvoor zijn beste houtbeitel had verpest. Ach, het
verdriet van de miskende kunstenaar… Vooral als die
negen is.
‘Zalig die het heimwee hebben, want zij zullen
thuiskomen.’
Dat alles overziend is het terecht dat ik als Zundertenaar op
reis werd gestuurd, Van Gogh achterna. En het is niet meer
dan gepast dat ik vergezeld werd door een fotograaf die
Vincent heette.
Door Van Goghs reislust is het een hele onderneming om al
zijn woon-, werk- en verblijfplaatsen aan te doen. Hij heeft
volgens mijn telling in 23 steden en dorpen gewoond: Zundert,
Zevenbergen, Tilburg, London, Ramsgate, Isleworth, Dordrecht,
Amsterdam, Pâturages, Wasmes, Cuesmes, Laken, Brussel,
Etten-Leur, Den Haag, Hoogeveen, Nieuw-Amsterdam, Nuenen,
Antwerpen, Parijs, Arles, Saint-Rémy-de-Provence en
Auvers-sur-Oise. Dat zijn nogal wat verhuizingen voor iemand
die in zijn brieven altijd herinneringen ophaalde, aan thuis,
aan Zundert, aan Brabant.
Als hij op een gegeven moment schrijft:
Dus
in plaats van aan de heimwee te gronde te gaan heb ik tegen
mezelf gezegd: je land of je vaderland is overal.
Cuesmes, juli 1880
(154)
zie je dat hij een beredeneerde manier gevonden heeft om de
heimwee te bedwingen.
Eerlijk gezegd denk ik zelf zo ook, als ik weer eens een paar
maanden in het Portugal over de zee zit uit te staren.
Vincent en ik zijn op al die plaatsen geweest. En op de
meeste plekken waar Van Gogh schilderde of waarnaar hij een
uitstapje maakte, zoals Breda, Chaam, Helvoirt, Zweeloo,
Sleen, Scheveningen, Hoeven, Oudenbosch, Sint Willebrord,
Eindhoven, Son en Breugel, Mons, Courrières en
Saintes-Maries-de-la-Mer.
Vaak rest er niet meer dan een lege plek. Soms letterlijk,
soms figuurlijk.
‘Wij moesten daar wél wonen,’ verdedigt de
eigenaar van het huisje in Nuenen waar De aardappeleters werd
geschilderd, zijn vaders beslissing het herkenbare interieur
eruit te slopen. ‘Het was niet praktisch
ingericht.’ En dat je daarna de overgebleven rommel
opstookte was toen heel normaal.
‘Mijn zoon had een grotere kamer nodig,’
verklaart nuchter de voormalige eigenaar van Logement Scholte
in Nieuw-Amsterdam, de beslissing de kamer waar Van Gogh
sliep uit te breken (de planken, een stoel, een nachtkastje
en een Japans aandoend schilderij heeft hij bewaard). Het
hotel heet nu het Van Gogh Huis en de kamer is
gereconstrueerd. Maar toch.
De plekken waar Van Gogh werkte vielen ten prooi aan
stadsuitbreidingen en ruilverkavelingen in Nederland. In
Frankrijk werden ze geabsorbeerd door Zones Industrielles vol
Buffalo Grills, Formule I-hotels en Bricomarchés.
Vlak na zijn dood verdween meteen het een na het ander. Want
wie kende hem toen, behalve een select groepje
kunstliefhebbers? En dan was er de Tweede Wereldoorlog,
waarin zijn woonhuizen in Den Haag en Arles werden
weggevaagd.
Wat zou Van Gogh daar zelf van gezegd hebben? Misschien wel
dit:
[...] want onze weg is
vooruit en het is verboden en onmogelijk om op onze schreden
terug te keren, d.w.z. dat je er ook aan kunt denken zonder
dat je door een al te melancholiek heimwee wegzinkt in het
verleden.
Saint-Rémy, 5 of 6 september
1889 (801)
Ik vraag me daarom af wat hij zou vinden van de manier waarop
hij wordt herdacht.
In het pand van de Dordtse boekhandel waar Van Gogh werkte,
zat ten tijde van onze reis kaaswinkel annex restaurant
Gert-Jan de Kaasboer. Het had een Van Gogh Menu op de kaart
staan, naar keuze met drie of vier gangen. Van Gogh leefde
meestentijds op droog brood en koffie.
‘Holmes Court’, de school van dominee Jones in
Isleworth, Londen, waar Van Gogh hulppredikant was, is tot
monument verklaard. Er mag geen spijker meer in de muur
geslagen worden zonder toestemming van English Heritage, de
Engelse Monumentenzorg. En dat terwijl Van Gogh overal
prenten aan de muur prikte.
Het ‘Café la Nuit Vincent Van Gogh’, waar hij het
beroemde Caféterras bij nacht (La Place Du Forum) schilderde,
is aan de buitenkant in de staat van 1888 teruggebracht. De
eigenaars hebben daarbij het schilderij als voorbeeld
genomen, waarbij ze zelfs de schaduwen van de gasten op het
terras op de muur hebben meegeschilderd. De impressie van een
café is café geworden.
Nee, dan de winkels vol Van Goghboeken, Van Goghposters, Van
Goghkinderboeken, Van Goghkoekblikken, Van Goghsokken, Van
Goghstropdassen, Van Goghkoelkastmagneten, Van Goghpennen en
Van Goghbadschuim.
Ik denk dat hij dáár heel blij mee zou zijn: ‘Ik gevoel
dat mijn werk in ’t hart van ’t volk ligt,’
schreef hij immers.
Eenzaamheid,
de jas die niemand past
Een reis langs de plekken waar Van Gogh woonde, stelt weinig
voor als je nergens verder dan de stoep komt en zo werd het
ons doel in elk mogelijk pand binnen te komen. Ik vermoed dat
wij er als twee fanatici uitzagen wanneer we voor de
zoveelste keer aanbelden bij een huis waar Van Gogh geleefd
had of waar iemand woonde die misschien meer wist. Of zoals
een mevrouw in de Borinage tegen ons zei: ‘Ik dacht dat
u van de Jehova’s getuigen was.’
Van Gogh vertrok van Nuenen naar Antwerpen. De tijd bij zijn
ouders was minder prettig dan hij gehoopt had. In een brief
aan Theo schreef hij over zichzelf als een ruige hond met
vuile poten. De beeldspraak is misschien te breed
uitgesponnen, maar je voelt er de pijnlijke situatie:
De
hond heeft alleen spijt dat hij niet weggebleven is, want het
was niet zo eenzaam op de heide als in dit huis –
ondanks alle vriendelijkheid.
Nuenen, 17 december 1883
(415)
Van Gogh reisde, als het niet anders kon, met de trein. Die
was veel goedkoper en veel sneller dan de diligence en de
trekschuit die eind negentiende eeuw nog in gebruik waren.
Meestal liep hij. De locaties waar hij werkte zijn dan ook
altijd te voet te bereiken vanaf zijn verblijfplaats, of je
nu in Parijs, Arles of Hoogeveen bent – al maakte de
aanleg van de Boulevard Periferique sommige wandelingen wat
ingewikkelder. Soms keek hij alleen maar uit zijn raam, zoals
in Parijs en in Antwerpen, waar hij op de Lange
Beeldekensstraat 224 een schilderij maakte van het uitzicht.
Het huis is niet vervangen door nieuwbouw, het staat niet
leeg en het is geen museum geworden. Precies als in Van Goghs
tijd huren mensen daar een kamer.
Roger de Witte laat ons binnen en opent voor ons een raam in
de gang. Het uitzicht is nagenoeg onveranderd. Omdat hij
bezoek heeft laat hij ons alleen. En ook omdat het
fotograferen niet spectaculair genoeg is om langer dan vijf
minuten naar te kijken.
Als we klaar zijn lijkt het ons beleefd om even afscheid te
komen nemen. ‘Niet voor 14.00 uur aankloppen’
staat er op de deur. De hond moet eerst vastgelegd worden,
maar dan treffen we een schilderachtig schouwspel aan. Vier
mensen in een Rembrandtesk licht, dat door de halfgesloten
gordijnen binnenvalt. Terwijl Vincent fotografeert stel ik
wat vragen over vroeger, over Van Gogh, over de kaaien van
Antwerpen, maar hun antwoorden zijn even kort als afwerend.
Wat doen ze de hele dag? Waarom zitten ze hier? Ik krijg geen
antwoord.
Als we weer weggaan zie ik dat er een sticker op een raam van
het huis zit met de tekst Eenzaamheid, de jas die
niemand past.
‘Bye,
Vincent!’
Er is door zijn brieven zoveel van Van Gogh bekend dat elke
witte vlek een mysterie wordt. In 1873, op twintigjarige
leeftijd, werd hij door kunsthandel Goupil naar Londen
gestuurd. Hij huurde een kamer bij de weduwe Ursula Loyer. Er
zijn uit deze periode maar heel weinig brieven bekend (zijn
ze vernietigd?), waardoor er allerlei speculaties zijn
onstaan. Het officiële verhaal is dat de twintigjarige
jongen, voor het eerst ver van huis, smoorverliefd werd op
Loyers negentienjarige dochter Eugénie. Die was niet van zijn
avances gediend en de afwijzing bracht hem zo van slag dat
hij nors andere mensen begon te mijden. Zijn vader,
geschrokken van deze verandering, liet hem overplaatsen naar
Parijs.
In het toneelstuk Vincent in Brixton van Nicholas Wright
wordt een ander verhaal verteld: de jonge Vincent wordt
verliefd op zijn vijftigjarige hospita. Als zijn familie. via
door hem gemaakte naakttekeningen van Ursula, ontdekt wat er
aan de hand is, wordt Vincent weggehaald. Waar of niet?
Pas in 1973 werd ontdekt waar de Loyers woonden: Hackford
Road 87 in de wijk Brixton. De plaatselijke postbode en Van
Gogh-bewonderaar Paul Chalcroft en de Nederlands-Schotse
journalist Kenneth Wilkie belden toen aan, met de mededeling
dat Vincent van Gogh daar op kamers had gewoond.
Dertig jaar later staan de plaatsgenoot en de naamgenoot van
Van Gogh voor dezelfde deur. De vrouw die opendoet is niet
verbaasd dat het weer zo ver is. Ze heeft alle
nationaliteiten al over de vloer gehad. Marjorie Smith kocht
het huis samen met haar man in 1952. Ze is een schat van een
vrouw die in een grote kartonnen doos alle herinneringen
bewaart aan de tijd dat de ontdekking gedaan werd; de
foto’s, de krantenartikelen, de bevestiging van de
herdenkingsplaquette. De kamer waar Vincent zelf woonde
kunnen we niet meer zien. Een malafide aannemer heeft in het
voorjaar van 2002 het dak verpest. Na een hevige regenbui is
het ingezakt. Ze durft niet meer te kijken hoe de boel
eruitziet.
Ze is begin zeventig en ze heeft het niet gemakkelijk. Een
jaar geleden zijn haar voortanden er bij een beroving
uitgeslagen, de prothese doet pijn. Ze is werkster en in de
keuken doet ze verstelwerk voor de hele buurt. In de kamer
hangen Van Gogh-schilderijtjes van Paul Chalcroft.
Als we weggaan (‘O dear, and I didn’t even offer
you a cup of tea!’) krijgen we allebei een kus van
Marjorie, maar het mooiste bewaart ze voor laatst. Ze moet er
van gedroomd hebben om ooit als Ursula Loyer in de
deuropening te kunnen staan en te zeggen: ‘Bye,
Vincent.’
La mémoire fait mal
Een van de eerste Van Gogh-onderzoekers was de Belg Mark Edo
Tralbaut, auteur van boeken als Van Gogh in Drenthe en Van
Gogh in Antwerpen. Van hem ging het verhaal dat hij op
locaties waar Van Gogh geschilderd had de bomen omzaagde die
niet op het schilderij voorkwamen.
Het is een van die mooie verhalen en anekdotes die rondom Van
Goghs bestaan zweven. Wij hoorden ze ook en soms zaten we er
middenin. In de haven van Ramsgate lag een schip genaamd
‘Vincent’. Er vlogen altijd kraaien over, of we
nu in Londen, Hoogeveen of, natuurlijk, Auvers-sur Oise
waren.
In de Borinage belde ik een plaatselijke Van Gogh-fanaticus
op zijn mobiele telefoon. Stephan Busse bleek allang terug
naar Duitsland verhuisd te zijn, maar toevallig net die dag
was hij in België was om een onderdeel voor zijn Citroën Axel
op te halen. Waarna we de hele dag in ons huurautootje door
de Borinage reden, achter een oranje Roemeense auto met
roestige portieren. Vincent en ik keken elkaar aan en we
wisten dat dit een dag werd om nooit meer te vergeten.
En dat werd het, want Stephan bracht ons in Wasmes binnen bij
Paul en Stella Denis, in een van die kleine
mijnwerkershuisjes tegenover de inmiddels verlaten
Marcasse-mijn. Er kwam meteen een goede fles wijn op tafel en
de familie Denis vertelde het verhaal van de Borinage. Het
verhaal van le pays noir, het zwarte land, het land waar
Vincent van Gogh, vol goede bedoelingen, het woord Gods
probeerde te verspreiden, maar uiteindelijk kunstenaar werd.
Ze keken met gemengde gevoelens naar de pogingen van de
huidige eigenaar om de vervallen en half gesloopte Marcasse
te behouden en te veranderen in een museum. Ja, het was
jammer dat de plek waar Van Gogh werkte weggevaagd werd, maar
vergeet niet: ‘La mémoire fait mal.’ De
herinnerig doet pijn. In elke familie zijn slachtoffers
gevallen, het waren harde, armoedige tijden. Moet je daar per
se aan herinnerd worden?
Tussen neus en lippen door vertelde Paul dat hij iemand kende
die drie onbekende tekeningen van Van Gogh had. Maar
eigenlijk was dat niets bijzonders, want vroeger hadden
zoveel mensen in de omgeving been tekening van Van Gogh in
huis, ooit geruild tegen wat eten of een slaapplaats. De
meeste scholen hadden een tekening van hem om de vroeger
armoede van de mijnwerkers te illustreren.
We rolden van onze stoel van verbazing. Waar waren die
tekeningen dan? Paul haalde zijn schouders op. Weggegooid,
omdat de waarde niet werd ingezien. Verdwenen, met de
Amerikaanse soldaten die de Borinage bevrijdden en kunst
tegen kauwgom en chocola ruilden.
De verhalen over ooit gekregen en weer verdwenen tekeningen
achtervolgden ons tot diep in Noord-Frankrijk, waar we
Courrières bezochten. Van Gogh wandelde daar in maart 1880
naartoe om Jules Breton te zien. Onderweg ruilde hij
tekeningen tegen brood en onderdak. De eerste de beste
mevrouw aan wie ik op straat de weg vraag begint erover dat
haar schoondochter… Of er gaat ooit een verborgen
schat aan tekeningen open, of iedereen kletst elkaar na.
Het laatste woord is in ieder geval nog niet gezegd.
La
tristesse durera toujours
Twee meter Van Goghboeken heb ik in twee maanden verzameld.
Ik krijg e-mails uit Londen en Ramsgate over de hernummering
van straten, dagelijks raadpleeg ik www.vangoghgallery.com.
Stephan Busse houdt me per mobiele telefoon op de hoogte van
de staat van Van Gogh-locaties in de Borinage en Arles.
Ben ik geobsedeerd door Vincent van Gogh? Niet echt. Ik heb
respect voor de mensen die het doen, maar ik zal nooit mijn
dagen besteden aan het rondbreien van het bewijs dat een
tekening ergens anders is gemaakt dan de museumcatalogus
beweert. Ik zal nooit aan de hand van het spoorboekje uit
1877 de precieze vertrektijden van een treinreis proberen te
achterhalen. Ik zal nooit tot op de minuut een schilderij
dateren aan de hand van de afgebeelde sterrenstand, of de
woordvolgorde in Van Goghs brieven onderzoeken op
verschijnselen van ADHD of schizofrenie. Dat niet.
Maar ondertussen heb ik behang meegenomen uit het huis in
Wasmes, waar Vincent woonde toen hij zendeling was onder de
mijnwerkers in de Borinage. En ik heb ook een tegeltje uit de
machinekamer van de Marcasse-mijn in mijn zak heb gestoken,
ook in Wasmes, waar Van Gogh 700 meter diep in een schacht
afdaalde. Ik bewaar een stukje kozijn uit de voormalige
school van dominee Slade Jones in Isleworth, Londen. En ik
heb een stukje van een plank uit de kamer van Van Gogh in
Hotel Scholte in Nieuw-Amsterdam. Ook een steentje van Les
Alyscamps, de Romeinse necropolis in Arles, waar Van Gogh
samen met Gaugauin schilderde. Het blaadje klimop van het
graf van Vincent en Theo ben ik spijtig genoeg kwijtgeraakt,
maar de splinter uit het huis van Dr. Gachet heb ik veilig
opgeborgen, zoals alle foto’s die ik gemaakt heb op
plekken waar dat verboden was. De kastanjes uit de tuin van
de Antwerpse kunstacademie, waar hij zes weken studeerde, heb
ik in Nuenen naast het kerkhof waar Van Goghs vader begraven
ligt in de grond gestopt. Dat wel.
Er zijn Fransen die denken dat Vincent van Gogh een Franse
schilder is. En als je het zakelijk bekijkt is dat ook zo,
wij noemen de Duitser Vondel ook een Nederlandse schrijver.
Van Gogh zelf dacht er anders over, toen hij schreef over de
tentoonstelling waar zijn eerste schilderij verkocht zou
worden:
Wat
de tentoonstelling in Brussel betreft, daarom laat dat me
niet onverschillig, omdat ik er een paar schilderijen zal
hebben van hier, die niettegenstaande ze in een heel andere
streek zijn gemaakt, geheel en al gebleven zijn als waren ze
b.v. in Zundert of Kalmthout geschilderd, en geloof ik ook
door mensen die geen wat men noemt verstand van schilderijen
hebben, zouden kunnen worden begrepen. En zo zal men kunnen
zeggen, 't misschien eenvoudiger ware geweest ik maar
stillekens in Noord-Brabant ware gebleven — maar dat is
al zoals 't is, en wat zal een mens eraan doen.
Saint-Rémy, ca 21 oktober
1889 (813)
Geen Franse schilder, een Zundertse schilder. Misschien dat
de Fransen daarom zo slordig met het Van Gogh-erfgoed omgaan.
Gelukkig is er nog genoeg over. Montmartre in Parijs zal
altijd aan Van Goghs negentiende eeuw doen denken, vooral als
na zessen die idiote toeristenkermis rond de Sacre Coeur is
verdwenen.
In Arles zijn veel gebouwen verdwenen, maar de verhalen over
de gekke schilder in Arles worden nog steeds doorverteld. Hoe
hij met kaarsjes op zijn hoed ’s nachts buiten zat te
werken (niet waar). Dat hij dronken, zittend op een steen op
de hoek van de straat, respectabele vrouwen probeerde mee te
lokken (waarom zou dat niet waar zijn?). Hoe schoolkinderen
zijn schildersezel omtrapten (waar). Dat een familie jaren na
zijn dood hun exemplaar van De zonnebloemen verkocht om het
huwelijk van hun dochter te kunnen betalen (waar).
Het gesticht Saint-Paul-de-Mausole in Saint-Rémy-de-Provence
vlak bij Arles is niet te bezichtigen, maar de strenge muren
en de reconstructie van Van Goghs kamer in het klooster
ernaast maken meer dan genoeg indruk.
En natuurlijk is er Auvers-sur-Oise, dat dorp boven Parijs
dat een openluchtmuseum werd voor het Impressionisme. En voor
van Gogh. Nergens is het gevoel dat je hem elk moment kunt
tegenkomen zo sterk als daar. Misschien komt dat wel doordat
een Belg het nalatenschap beheert. Dominique Janssens kreeg
een zwaar ongeluk voor de deur van de Auberge Ravoux. In het
proces-verbaal stond dat het ‘ter hoogte van het Maison
Van Gogh was’. Janssens las in de maanden dat hij aan
bed vastgekluisterd lag de brieven van Van Gogh en was
verkocht. Toen bleek dat het Maison Van Gogh, waar Vincent
van Gogh overleed, te koop stond, sloeg hij toe. Hij bracht
de herberg terug in de originele staat van 1890, herdoopte
hem tot Auberge Ravoux, introduceerde een kaart die op
streekgerechten uit de negentiende eeuw is gebaseerd en
maakte van Van Goghs kamer een plek van bezinning.
Het is onmogelijk die kamer in Auvers binnen te lopen zonder
geroerd te raken. Je mag er niet fotograferen. Je moet het
gevoel mee naar huis nemen en een foto verpest het gevoel
alleen maar.
Maar het was ook de herkenning. De eenvoudige kale ruimte
leek op mijn vaste kamer in pension Fredemar in het Sines. In
de herberg lagen dezelfde tegels op de vloer als in het
restaurant van Fredemar. Toeval, maar toch... Heel even
voelde ik me als Zundertenaar in het buitenland verbonden met
die andere Zundertenaar, tot de cameraflits van een toeriste
me uit die droom wegrukte. Tot mijn spijt werd ze alleen
terecht gewezen. Ik had haar toestel graag kapotgeslagen.
Er is maar één manier om iets over Vincent van Gogh te weten
te komen en dat is door zijn brieven te lezen. Er is maar één
manier om hem beter te leren kennen en dat is door hem na te
reizen. En er is maar één manier om hem te begrijpen en dat
is door op reis te gaan vanuit Zundert.
NB De nummers bij de briefcitaten verwijzen naar de Editie
van Crimpen, Den Haag 1990.