Alles (ooit)

De twee geheimen van Portugal

Als Nederland mijn moederland is, dan is Portugal mijn vaderland. Nederland is de warme boezem, de troostende arm, de plaats waar het me gemakkelijk wordt gemaakt. Portugal is de afstandelijke vriendelijkheid, de uitdaging, de plaats waar ik me iedere keer moet invechten.
En toch is mijn liefde voor Portugal even onvoorwaardelijk als voor Nederland. Zonder de natte groene weilanden, de klassieke wolkenluchten, en de strakke regelgeving, zou ik evenzeer wegkwijnen als zonder de brandende hitte op de kurkeiken in de Alentejo, de Atlantische rukwinden aan de Costa Azul en de ongeduldige voordringers aan het loket.
Twee gescheiden ouders. Het is onmogelijk bij de een te zijn zonder de ander te missen.

Er is maar één manier om Portugal binnen te komen en dat is: lang-zaam. Met een trein die je halte voor halte laat wennen aan een ander landschap, aan andere kleren, andere koppen, andere geuren, een andere taal. Of met een auto. Liefst een zonder airco, die de zinderende lucht boven de Spaanse autovia's binnenlaat. Als bij Palencia in Spanje het bord 'Portugal' voor het eerst verschijnt is het aftellen, Portugal 220, terwijl de onrust in je groeit, Portugal 150, bij Tordesillas, het kan nooit meer zo leuk zijn, Portugal 76, bij Zamorra, ben ik misschien niet teveel veranderd, Portugal 21, bij Alcañizes, ik draai om, waarom ga ik iedere keer toch terug, Portugal grens, bij San Martín del Pedroso en dan diep de kruidige lucht van de bergen rond Bragança inademen en het gevoel te hebben dat je thuis bent...

Als het vliegtuig op het vliegveld van Lissabon landt ben je niet in Portugal. Dit is de onpersoonlijke taxfree-wereld van creditcards, vouchers, onkostenrekeningen, zakenhotels, 'taxi Sir?' en rent-a-car. Ik probeer deze gehaaste wereld zoveel mogelijk te vermijden en race dus met gemengde gevoelens met mijn huurauto naar Portugal, naar het echte, het binnenland. Naar 'Het bestbewaarde geheim van Portugal', de Serra do Caramulo, tussen Coïmbra en Porto.
Dit is sinds 1986 mijn achtste bezoek aan Portugal. Het kortste duurde twee dagen. Het langste, in 1999, drie maanden. Zonder overdrijven: ik ken de weg beter in Lissabon dan in Amsterdam en in Drente zal ik eerder verdwalen dan in Tras-os-Montes.
Voor zover ik weet heb ik geen Portugese voorouders. Maar ik kom uit Brabant, dat het langst bezet bleef door de Spanjaarden. Verkrachtende huurlingen, met in hun kielzog beurzensnijders en bezembinders, hoeren en snoeren, lieten er hun genen voorgoed achter. In het mengsel van Nederlands, Vlaams, Frans en Iberisch bloed heeft het laatste vast de overhand in mijn familie. De slordigheid met afspraken en het talent warmgekleed de zon te trotseren moet ik ergens vandaan hebben. Mijn zus, met haar zwarte zigeurinnenhaar, is al naar Spanje geëmigreerd. De melancholie in de muziek van het schiereiland herkennen we allebei. Zij de duende van de flamenco, ik de saudade van de fado.

Ik ben nooit eerder in Caramulo geweest. De naam ken ik alleen van de vijfliterflessen bronwater die je overal kunt kopen. Dat is tegenwoordig ook de belangrijkste associatie die Portugezen er bij hebben. Ooit was het een naam die klónk. Caramulo. Caramulo. 'Kaaramóel', zoals ze hier zeggen.
Caramulo was een van de eerste dorpen van Portugal dat verharde straten kreeg. En dat allemaal dankzij de tuberculose, of laten we zeggen, de gezonde berglucht. Patiënten met tbc werden naar Caramulo gestuurd om te kuren. Tot, zoals altijd, de vooruitgang roet in het in het eten gooide. Met de komst van tubercelosemedicijnen verdwenen de kuurpatiënten en zakte Caramulo weg in een lethargische gemoedelijkheid. Dat is het Portugal dat we graag zien.
Want Portugal, dat is witgesausde huizen met blauwe accenten. Sprankelende vinho verde uit de tap. Ingedroogde oudjes op een hoog wagentje met een burro, een ezel, ervoor. Een straffe bica wegdrinken aan een toog met azulejos met een pastel de nata ernaast en de tas met boodschappen tussen de benen geklemd. Dat is een bankje op een dorpspleintje met oude mannetjes. Vrouwen die de was in de rivier doen. Een potje lijm op het postkantoor om de postzegels op te plakken. Een mand naast de plee voor het wc-papier. Boertjes met Willempie-helms op oude Kreidlers. Dat is een wegennet dat uit vier soorten asfalt bestaat, de gaten opgevuld met verpulverde dakpannen. Een schetterende tv in het café. Een omaatje in de berm dat haar twee geiten hoedt. Een wildvreemde die zijn gleufhoed optilt en 'Boa tarde' zegt.

Dat is de Serra do Caramulo. Een aaneenschakeling van tegen de berghellingen aangeplakte gehuchten en dorpen, omlijst door rododendrons. Nauwe wegen leiden er naartoe, wolken hangen loom tussen de bomen. Het dichtstbijzijnde treinstation is een halfuur verderop.
En daar, waar honderden mensen in granieten huizen wonen, zonder stromend water, zonder elektriciteit, kilometers aan zandpaden verwijderd van winkels en scholen, razen sinds kort regelmatig terreinwagens voorbij. Groepen wandelaars klauteren tegen de steile hellingen omhoog. Managers gaan abseilen in het bos en ICT-nerds peddelen in kano's de rivier af. Caramulo is het werkterrein van Desafias do Caramulo, een organisatie die wandel- en kanotochten, jeepsafari's en survivalavonturen organiseert.

'Het bestbewaarde geheim van Portugal' heet de Serra do Caramulo. Erg veel moeite doen ze niet het geheim te houden. Een oud militair hospitaal is verbouwd tot gastvrij vijfsterren kuurhotel. Als je er binnenloopt heb je binnen de kortste keren een kilo aan glanzende folders verzameld die allemaal het geheim verklappen.
Het belooft niet veel goeds als Samuel Pires, de gids van Desafias do Caramulo, zijn bestofte 4WD voorrijdt. Dat wordt ondersteboven aan een berg hangen, natspatten in een bergbeek, of langs geitenpaadjes omhoog- en omlaag strompelen, vrees ik. Vier uur later, in café Salgueiro in het buurdorp Bezerreira, aan een tafel vol petiscos, Portugese tapas, begeleid door een karaf plaatselijke wijn, is het gelukkig bij een bloedstollende rit door de bergen gebleven.
Geen meter van het landschap blijft onbenut, zelfs een twintig eeuwen oude Romeinse heerweg is onderdeel van een wandeltocht. Samuel stopt bij elk toeristisch hoogtepunt voor een toelichting.
'Fallisch monument,' zegt hij en stopt bij een stenen pik van drie meter hoog.
'Snoopy,' zegt hij bij een steen waarin sprekend de contouren van de hond van Charlie Brown zijn uitgesleten.
'Hoogste punt,' zegt hij op de berg Caramulinho. Over de Dão-vallei is bijna honderd kilometer zuidelijker de Serra de Estrela te zien, de hoogste bergketen van het land.

Aan Samuel is geen talkshowhost verloren gegaan, maar als hij de 4WD nagenoeg loodrecht het ravijn instuurt en het ding elegant om stenen en over geitenpaadjes laat dansen en bochten van 90° laat maken vertrouw ik hem volkomen. Hier ligt zijn hart, hiervoor is hij vanuit de Alentejo verhuist. Trektochten door de bergen, klimmen tegen de rotsen, slapen in het 'miljoensterren hotel'. Hij toont een gehucht bestaande uit vijf rotswoningen, waarvan de bewoners de geiten zijn gaan weiden. De deuren staan open, net zoals honderd jaar geleden. De enige straat is overdekt met een pergola die begroeid is met een druivenrank. De idylle is compleet. Op mijn vraag of hij hier zou willen wonen schudt hij beslist nee. Wie wil er nog elke dag acht kilometer lopen voor boodschappen?

In 1990 verscheen de reisgids 'Portugal, een gids voor vrienden', of zoals ik hem liefhebbend noem, 'een gids voor ouwe lullen'. De schrijver Rentes de Carvalho – je ziet hem angstig zijn huurautootje over gevaarlijke wegen sturen – beschrijft daarin een Portugal dat langzaam wegglipt. Hij voedt ons op met Portugese zeden en gewoonten die ik al jaren niet meer ben tegengekomen.

Het Portugal waaraan hij zich vastklampt, het land uit zijn verleden, dat Portugal is langzaam aan het verdwijnen.
Als je in de wijde omgeving van Caramulo rondrijdt zie je overal de blauwe borden staan van FEDER, die de Europese subsidies verdeelt. Wegen krijgen een extra rijbaan, tolwegen worden verlengd. Bergen worden aan stukken gehakt en over het land verdeeld. De sloppenwijken van Porto worden opgeruimd en nieuwe bruggen gebouwd. Achter gestutte gevels verschijnen nieuwe gebouwen.
De Braziliaanse soaps worden vervangen door de Endemolsaus van Chuva de Estrelas (Soundmixshow) en Big Brother II (Big Brother II). Bedelaars houden contact met een mobiele telefoon.
Is het jammer dat dat oude Portugal verdwijnt? Dat overal roestvrijstalen toonbanken in de pastelaria's verschijnen, de houten luiken vervangen worden door kunstof kozijnen. Dat het oude grand café Imperial in Porto na een grondige restauratie een McDonald's is geworden. Dat de Kreidlers vervangen worden door scooters en de burro's door brommobielen en dat de historische dorpskernen omgeven zijn door uitgestrekte fantasieloze betonnen nieuwbouw?
Natuurlijk. Maar de Portugezen wonen niet in Disneyland. Het is de vaart der volkeren. Die is niet tegen te houden, niemand heeft het recht een land te veroordelen tot bittere armoe en dat is waar het pittoreske vaak mee samen gaat, bittere armoe.

De toeristenindustrie is belangrijk in Portugal, dat nog steeds worstelt met het imago van 'arme man van Europa'. Kloosters en kastelen worden van armoe en verval gered door ze in te richten als pousada, luxueuze en sfeervolle hotels. En zo wordt de Serra do Caramulo van armoede en verval gered door het in te richten als survivalpretpark.

Stimulering van het toerisme is niet overal de weg die gekozen wordt. Als Caramulo het bestbewaarde geheim van Portugal is, dan is Sines, vierhonderd kilometer zuidelijker in de provincie Alentejo, het slechtstbewaarde.
In 1970 besloot het regime van Salazar dat Portugal zijn 'eigen' olie uit de koloniën ging raffineren. Het was de tijd dat de tankers supertankers werden. De omstandigheden voor de kust van Sines waren ideaal voor dergelijke giganten, met een diepe rotsachtige bodem waar niet gebaggerd hoefde te worden. De formulering was letterlijk: 'Het Rotterdam van het Zuiden'. Ook de economische omstandigheden waren ideaal: de provincie Alentejo was (en ís, nog steeds) straatarm. Elke impuls zou welkom zijn. Maar toen in 1973 de bouw van de haven en raffinaderij begonnen was en de grond onteigend, ontstond de eerste oliecrisis. Daar kwam in 1974 de Anjerrevolutie overheen. Portugal verloor zijn koloniën en zijn olieaanvoer.
Toen de haven in 1978 werd opgeleverd was de markt voor tankers van 500.000 ton ingestort. Bijna symbolisch sloeg een jaar later een hevige storm de daarvoor bestemde pier weg. Portugal verdrong Griekenland als arme man van Europa. Sines, dat ooit leefde van visserij en strandtoerisme, werd een soort Etten-Leur: een groeikern met een veel te leeg industrieterrein ernaast. Tot Portugal in 1986 tot de EG toetradt en de subsidiekranen voluit werden opengedraaid. Het onteigende land werd verpacht aan andere industrie en zo kreeg Sines zijn huidige vorm: een lieflijk voormalig vissersdorp omkneld door havens en industrie. Een overslaghaven. Een oliehaven. Een raffinaderij die heel Portugal van benzine voorziet. Petrochemische industrie. Een elektriciteitscentrale. Een windmolenpark. Een autobandenrecycling. En in aanbouw: ondergrondse LPG-opslag, een vloeibaar-aardgashaven, een containerhaven en een logistiek centrum.

"Sines [...] is de enige plaats aan dit deel van de kust die bezoekers gerust kunnen overslaan. Vasco da Gama is hier geboren, maar hij zou zich in zijn graf omdraaien als hij kon zien wat de olieraffinaderijen, wegen, spoorwegen, pijpleidingen en boorputten met de omgeving hebben gedaan," zegt de Rough Guide. Het zal niet meevallen een reisgids te vinden met een andere mening over Sines. In het gunstige geval wordt het bestaan van het dorp verzwegen. Ook Rentes de Carvalho raadt zijn lezers aan weg te blijven.
Niemand houdt van Sines, behalve de inwoners. En ik.

Sines, 'Síensj' zeggen de dorpelingen, ligt op een rotspunt die halverwege Lissabon en de Algarve de Atlantische Oceaan insteekt. Als je uit Lissabon over de beroemde Ponte de 25 de Abril rijdt, een kopie van de Golden Gate Bridge, kun je in Sines komen langs een verpletterende route vol kastelen, veerponten en dwars door kilometers uitgestorven dennenbos. Als je geluk hebt zie je de dolfijnen bij Setubal, alleen als je blind bent zie je de ooievaarskolonie bij Comporta niet.
De Ponte de Vasco da Gama, bij de bouw de langste brug van Europa, brengt je naar Sines via gloednieuwe tolwegen. Sinds kort hangt er een extra verdieping onder de Ponte de 25 de Abril, voor een spoorlijn die de Algarve rechtstreeks verbindt met Lissabon. Het traject is onbeschrijfelijk mooi, maar personentreinen gaan niet meer naar Sines. Zonder auto moet je in Portugal geen haast hebben.
Sines is een bezienswaardigheid. Niet vanwege tegeltableaus, architectuur of nog dagelijks uitgevoerde middeleeuwse riten. Sines is een bezienswaardigheid omdat het één groot industrieel experiment is. Een landelijk gebied dat op korte tijd een van de belangrijkste industriele regio's van Portugal, van Europa, is geworden. Waar de veranderende economie de plannen voortdurend bijstelde.
Wie naar Portugal gaat voor zon, strand en cultuur komt in Sines misschien niet aan zijn trekken, maar wie het advies van de reisgidsen klakkeloos volgt doet het dorp geen recht.
Industrie heeft ook een vibrerende schoonheid. Als je 's nachts langs de raffinaderij van Petrogal rijdt of de petrochemische industrie van Borealis, dan zie je een surrealistisch landschap van helverlicht metaal oprijzen uit de dennenbossen. Door de duinen liggen kilometers aan glanzende zachtsuizende buizen. Reusachtige kranen voeren een subtiel ballet uit met tonnen steenkool. Felverlichte naftakrakers vormen een baken in de nacht. Afgefakkeld gas als moderne vuurtoren.
Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week. Dit is modern Portugal. Hier wordt het hoofd trots geheven.
De inwoners van Sines bekijken de verandering van het gebied met gemengde gevoelens. Sommigen zijn meegegaan in de veranderingen. Anderen houden krampachtig vast aan het verleden. In elk restaurant, in elke winkel, hangen zwart-witfoto's van hoe het dorp er in de jaren vijftig en zestig uitzag, als aan de muur van een geobsedeerde geliefde de portretten van een vrouw die vertrok omdat ze niet gewaardeerd werd.
In de winkels worden ansichtkaarten van het huidige Sines verkocht waarop geen flard van de omringende industrie is te zien, een wonder van fotografie. Of van retouche.
De ligging aan een baai heeft Sines een overdaad aan pensions bezorgd. De golven van bouwactiviteiten &endash; elke vissersvrouw die een kamer overhad begon een restaurant om de duizenden contractarbeiders te voeden &endash; heeft Sines een overdaad aan restaurants bezorgd. Toen het werk in de jaren tachtig stil kwam te liggen bleven de restaurants leeg. Toen het werk in de jaren tachtig stil kwam te liggen bleven de toeristen uit de pensions.

Dat is nooit meer goed gekomen, ondanks alle kleurrijke foldertjes over toeristisch Sines, ondanks de jachthaven, ondanks de restauratie van het castelo en het geboortehuis van Vasco da Gama. Het personeel van de turismo zit voornamelijk duimen te draaien.
Maar juist het gebrek aan chagrijnige Duitse, lawaaierige Nederlandse en arrogante Franse toeristen maakt het een ideaal dorp om je in terug te trekken en je zit vlakbij de aantrekkelijke gebieden van de Alentejo, de Algarve is anderhalf uur ver.
In Sines is het nooit hoogseizoen. In Sines is er altijd plaats. In Sines kun je een maand lang elke dag in een ander restaurant eten. Het beste restaurant zit aan de Avenida Miguel Bombarda, A Nau, met smakelijke hoofdgerechten voor een tientje, een afstandelijke maar efficiënte bediening en meteen daarnaast O Coq, waar de bediening vloeiend Frans en Engels spreekt.
Het dorpsleven is relatief onaangetast. In het weekend pompen de discotheken de bassen tegen elkaar in, onrustig trekken groepen jongens en meisjes door de nauwe straatjes van plek naar plek op zoek naar actie.
De enorme golfbrekers van de havens zorgen ervoor dat de zee zacht en gemoedelijk het strand raakt. Of, zoals, een vrouw in de plaatselijke krant dichtte: Sines, de schone maagd, wordt het hof gemaakt door de zee. Het Praia Vasco da Gama is een van de weinige stranden aan de Atlantische kust waar je veilig je kinderen in het water kunt laten spelen. Je komt er door de Escandihas af te dalen, een popperig stelsel van trappetjes, vol wegschietende hagedisjes. Nergens daal je zo mooi af naar de zee.
In Sines zou ik wel willen wonen en dan niet in een huis, maar in een pension. In Fredemar. Het hoogtepunt van Sines is café pensão restaurante Fredemar in de Rua Cândido dos Reis. Het is het grootste pension van het dorp. Vroeger ook het sjiekste. Nu de plaatselijke Fawlty Towers. De eigenaar Frederico Lourenço is er Basil en Manuel tegelijk. Polly is dona Dona Maria-Luíza. Ze is al jaren gepensioneerd, maar nog steeds verschoont ze de bedden en zet ze op haar knieën elke drie maanden de houten vloeren van de 35 kamers in de was. Een oud-onderwijzeres woont er permanent op kosten van de staat (als ze naar haar dochter is wordt de kamer gewoon verhuurd), in de eenvoudige kamers op de derde verdieping verblijven de onregelmatig terugkerende contractarbeiders. In het felverlichte café schettert zoals gebruikelijk de tv. Huisschilder Zé parkeert er zijn fiets voor de deur en loopt dan om het kwartier zenuwachtig naar buiten om te kijken of die er nog staat. Nerveuze jongens komen een vuurtje vragen, passerende meisjes worden steevast nagefloten...
Je kunt er elke avond in het café zitten zonder je een moment te vervelen. Frederico komt uit Noord-Portugal en hij heeft in Frankrijk gewoond. Dat maakt hem tot een soort buitenlander in Sines en buitenlanders pappen eerder met buitenlanders aan.
Nieuwsgierig vraagt hij je uit, in het Frans, tapt een Fredy voor je, zoals hij een fluitje van het lokale bier noemt, stelt je voor aan de andere klanten en neemt zelf een Jack Daniel's.
Frederico is een nuchter man. 'Het toerisme in Sines is ten dode opgeschreven,' zegt hij. 'De mensen houden zich vast aan vroeger, ze willen het niet zien. Restaureren van het kasteel, het gezellig maken van het strand... Wat de boel hier aan de gang houdt is de industrie. Hier komen contractarbeiders. Die moeten eten, die moeten slapen. Daar moeten we ons op richten.'
Hij zucht en fluit een passerend meisje na. 'Ik word te oud om een pension te runnen. Wil jij misschien Fredemar kopen?' vraagt Frederico. 'De komende jaren zijn alle kamers verhuurd. Er is werk zat.' Ik zeg dat ik er een nachtje over slaap.

Voor ik ga slapen loop ik naar het dakterras en kijk uit over de oceaan. Tankers dobberen zacht voor de rede tot ze gelost worden. In de verte wordt een kolenschip gelost. Morgen ga ik terug naar Utrecht.
Nederland is mijn moederland, Portugal mijn vaderland. Twee gescheiden ouders. Het is onmogelijk bij de een te zijn zonder de ander te missen.