’t Schrijverke 2002
[Het eerste deel van ’t Schrijverke, oorspronkelijk een verhaal in drie delen]
‘Putain Hollandais,’ sakkerde Felix Potin zacht. Zijn trouwring tikte scherp op het bakelieten stuur van zijn vrachtwagen. Voor zijn truck deed een zware Daf poging na poging deed het Zundertse Oranjeplein op te rijden. Er stond een zwarte Chevrolet in de weg. De lading in de was gezette personenautootjes op de oplegger huppelde zacht op de veren. Prachtige wagens, die Dafs, maar hij zou zijn Volvo nooit willen inruilen. Als je eenmaal aan iets gewend bent... Schuif die Amerikaanse roestbak toch gewoon opzij, dacht hij, als je zo lomp parkeert dan verdien je het gewoon dat harde werkers zoals vrachtwagenchauffeurs krasjes op de lak maakten. Of het hele ding in elkaar reden. ‘Moet ik het soms even voordoen,’ gromde hij, toen de truck zich weer vastreed. Dit kon hij nu echt niet hebben. Hij zoog iets onbestemds uit de kies links achterin zijn bovenkaak die hem al een week uit zijn slaap hield. In zijn achteruitkijkspiegel auto’s zo ver als hij kon zien. Vanaf Rotterdam was het al prijs met dit soort gekloot. Hij mocht in zijn handen klappen als hij Parijs haalde vandaag, of anders werd het midden in de nacht in het galmende huis aankomen. Hij haatte dat, midden in de nacht aankomen. Opschieten was onmogelijk op de E-10*, die zich na Breda door elk boerenhol van Nederland en België leek te slingeren, onveilig gemaakt door de lokale mafketels.
Felix claxonneerde naar de plaatselijke vertegenwoordiger van het soort, een iel mannetje op het rechtertrottoir dat al de hele tijd gefixeerd was op de autootjes die afgeleverd werden en dat overstak op het moment dat Felix gas gaf. Allemachtig, nog nooit een auto van dichtbij gezien of zo? De remmen van de truck sisten venijnig en de cabine schudde heen en weer. Verontwaardigd drukte hij zijn claxon in, maar omdat de dwerg nog steeds niet opkeek nam Potin de moeite zijn raam open te draaien en er ‘salope, cochon,’ achteraan te slingeren.
Dat luchtte op.
De vettige Volvo maakte snelheid, een vettige roetwolk achter zich latend. Hij huiverde in zijn cabine. Het was bar koud voor een novembermaand en er werd voor de komende weken niet veel goeds voorspeld. Hij voelde aan zijn wang. De winter van 1963 beloofde koud te worden.
Cees Gommers was allesbehalve een zwijn, klein, tenger en breekbaar als hij eruitzag. Hij zou zichzelf nooit iel hebben genoemd. Dat deed iedereen in het dorp overigens wél. Eigenlijk zou hij zijn kleren op de jongensafdeling van de plaatselijke herenmodezaak moeten kopen, maar dat weigerde hij. Zelfs al kostte het hem handenvol geld aan vermaakkosten.
Als hij geluk had noemden ze hem Kiske, sinds de bewaarschool werd hij ‘de Mug’ genoemd, meestal achter zijn rug. Hij zag er net zo doorschijnend, breekbaar en nerveus zoemend uit, met zijn dunne polsjes, het schrale nekje en de wijd-uiteenstaande, enigszins puilende grijze ogen. Zijn voortschrijdende kaalheid, die de roze schedel door de vastgeplakte haren heen zichtbaar maakte, versterkte de overeenkomst.
Kiske verstond geen Frans, maar hij wist heel goed wanneer hij werd gepest of uitgescholden. De keren dat hij aan zijn kraag aan de kapstok was opgehangen waren ontelbaar. De achteloze duwen in zijn rug als hij net over een plas stapte en voorover ging, de tekeningen op het schoolbord, het gezoem op het schoolplein, het gesmiespel in de kerk, die ene keer op het ijs... Niet de taal der liefde is universeel, maar de intonatie van het scheldwoord.
Hij rechtte zijn schouders en stak over naar het plein om te kijken hoe zijn auto van de trailer werd gereden. Een Daf 750. Rood, met een wit dak, nu nog dik onder de bruinige was die hem beschermd had op het opslagterrein van de fabriek in Eindhoven. Goed, het was geen Chevrolet als van de burgemeester en ook geen Kapitän als van de dokter. Maar hij bleef een van de eersten in het dorp met een eigen auto. En de allereerste van de niet-notabelen met een ‘luuks’ waoge’, zoals ze in Zundert zeiden.
‘En? Tevreden?’ Sjef Romme van de garage kwam naast hem staan.
Cees Gommers knikte.
‘Ginne spijt da’ ge gin Daffodieleke het besteld? Of intje meej mir luuks?’ Uit een vettig pakje bood hij Cees Gommers een sigaret aan.
‘Nee, geen Chief Whip op mijn lip,’ probeerde die een grapje.
‘Dan nie, zeikerd,’ mompelde Sjef binnensmonds. ‘Kom d’overmorgen mar trug. Dan istie gepoetst en he’k de papieren.’ Hij draaide zich om en liep terug naar de werkplaats aan de overkant van de straat. De sympathie van een middenstander was erg afhankelijk van hoeveel hij aan je kon verdienen en aan het goedkoopste, uitlopende model Daf was dat niet veel. De kinderziektes waren eruit. Vroeger legde hij er aan de lopende band nieuwe motoren in, op kosten van het fabriek.
Cees Gommers draaide zich om en liep naar huis. Jazeker, de Mug, Kiske Gommers was vanaf overmorgen een meneer. Hij zag Toine Antonissen al van verbazing van zijn Kreidler vallen als hij die inhaalde. Het viel alleen niet mee onbekommerd te genieten van de komende wraak op zijn voormalige pestkop, door de grauwsluier van de scheldende Fransoos heen.
Een gure oostenwind blies hem in het gezicht en deed hem wankelen tot aan de tuinpoort.
Leon Gommers hield van de keuken. Van het snorren van de pan waarin het vlees lag te sudderen. Van het zeil op de keukentafel dat er al tien jaar lag. Van het motief van de tegels op de vloer. Van de onduidelijke bezigheden van zijn moeder die zo gezellig klonken.
En van de warmte, nu de naderende winter de rest van huis al had doen verkillen. Zijn oren gloeiden. Vandaag niet alleen van het fornuis. Vandaag was Philip Antonissen meegekomen om samen met hem huiswerk te maken. Het viel op school niet mee de zoon van de Mug te moeten zijn; dat de populairste jongen van de klas met hem was meegefietst maakte al veel goed. Zijn moeder had hen alleen gelaten, blij dat haar enig kind eindelijk eens iemand leek te kennen.
Buiten klapte er iets. Leon keek op uit zijn boeken en drukte met een wijsvinger zijn bril hoger op zijn neus. Zijn vader verloor bijna het gevecht om de tuinpoort met de opgestoken wind. Leon zag Philip ook kijken.
Zie hem nou toch, dacht Leon, daar schaam je je toch dood voor. De man verdronk zowat in de veel te grote groene jas. Bij elke stap was het alsof hij zich uitrekte, waardoor hij liep als een te strak opgedraaid mechaniekje. Zelfs met zijn schoenen uit was Leon nog groter en hij was de kleinste van zijn klas.
Leon had maar een paar dingen van zijn moeder geërfd, zoals zijn verstand en zijn oog voor schoonheid. De rest kwam van zijn vader. Het smalle postuur, het fijne blonde boven een wasbleek gelaat. Hij zag eruit alsof hij in het donker was grootgebracht Alleen de verbeten trek rond zijn mond ontbrak, maar die zat er aan te komen. Zijn bijnaam op school was ’t Kwakske.
‘Wat betekent ‘koosjon’?’ vroeg de vader aan de zoon.
Leon zweeg. Waarom was die man zo stom, waarom had hij niet het minste begrip van taal? En vooral: waarom moest hij dat nú tonen?
‘Koosjon, wat betekent dat?’
Leon keek opzij naar Philip. ‘Dat is toch simpel.’ Hij boog zich weer over zijn boeken.
‘Wat dan.’
‘Zwijn,’ antwoordde hij zonder op te kijken.
De man haalde uit en sloeg hem op zijn hoofd. Het was een krachteloze ongerichte mep die door zijn haar streek maar Leon voelde hem vinger voor vinger. De intentie is vaak pijnlijker dan de uitwerking. Leon klapte zwijgend zijn boeken dicht en liep naar boven. De vernedering sloop met hem mee.
‘Ik moet naar huis,’ zei Philip, ‘is het alweer zo laat?’
Cees Gommers keek verbijsterd naar zijn hand. Nog nooit had hij zijn kind geslagen. Hij liep naar buiten. Voor de derde keer die week veegde hij de schuur uit, die vanaf overmorgen de garage zou zijn. Op sommige plekken zat het vuil zo vast dat het nooit meer los leek te komen.
Het was geen onverdeeld genoegen om de populairste jongen van de klas te zijn. Philip Antonissen was goed in sporten en hij haalde hoge cijfers. Dat maakte hem geliefd bij leraren en leerlingen. Wie naast hem zat in de klas glom van trots, op het schoolplein was hij omringd door klasgenoten.
Je hoefde echt niet ouder dan dertien te zijn om te snappen dat daar veel onoprechtheid bij zat. ’t Kwakske, altijd zwijgend aanwezig, altijd verzonken in een boek, beviel hem daarom wel. Leon leek de enige jongen in zijn fietsgroepje naar Breda die niets van hem wilde.
Philip presenteerde het bij zijn vrienden als een goede grap om bij de zoon van de Mug zijn huiswerk te gaan maken. Eerlijk gezegd was hij ook nieuwsgierig naar wie Leon was. Er had zich ooit iets onuitsprekelijks afgespeeld tussen hun vaders, maar dat ging hem niet aan. De scène in de keuken waarvan hij zojuist getuige was geweest had hem zelfs een gevoel van verbondenheid gegeven. De Mug bleek in zijn ielheid net zo’n brute gek als zijn eigen vader. Hij fietste het stuk van de Molenstraat naar zijn huis in de Prinsenstraat in drie minuten. Een nieuw record bij tegenwind.
Een half uur later begonnen de sneeuwstormen die bij veel mensen de herinnering aan de winter van 1947 terugbracht.