nagenoeg alles (als ik klaar ben)

Awijd, awijd


Try to imagine what silence looks like
(Prince)

Mijn zus is 32 en ze plast nog in haar bed. Ze speelt met babyspeelgoed en ze kan niet praten. Ze kan niet lopen, ze kan niet blijven zitten en ze kan niet blijven leven uit zichzelf. Mijn zus krijgt negen soorten medicijnen, drie keer per dag.
Ze zingt:
In de Haa da woonna Ga.

Mijn zus neuriet mee op Mozart en krijgt toevallen van Prince. Mijn zus is gehandicapt. Geestelijk gehandicapt.
Ze had niet zo hoeven zijn. Ze was het eerste kind van mijn ouders. Ze was de eerste bevalling van de arts. Een moeilijke bevalling, hij kon het niet aan, nam verkeerde beslissingen, tot een vroedvrouw het van hem overnam, met bruut geweld. Mijn zus zat anderhalf uur klem. Met tangen op haar schedel, precies in de weke delen van haar hoofd. Haar hersenen werden beschadigd en ze heeft zuurstofgebrek gehad. Ze heeft geen spiercontrole. Mijn zus is een zorgenkindje.
Ze zingt:
Ma-ina, Ma-ina, Ma-ina.

Mijn zus is al 32 jaar een baby. Ze zou een mooi engeltje zijn geweest, hebben de buurvrouwen ooit gezegd. Maar ze leeft. Ze kost vierhonderd gulden per dag. Er waren tijden dat niemand dat zou hebben willen betalen. Mijn moeder houdt veel van haar. Mijn zus zou niet zo hoeven zijn. Mijn andere zussen zijn bang om zwanger te worden. Mijn zus kwijlt op haar kleren. Soms bijt ze haar handen kapot, soms trekt ze de haren uit haar hoofd. Ze viel al negen keereen gapend gat in haar hoofd.
Ze zingt:
Awijd, Awijd, aanne-ne eepjes owij.

© Peter van Straaten 1988
Mijn zus is meer dan een plant, minder dan een mens. Ze plast op vaste tijden en zit ze op de wc, dan is het goed. Zo niet, dan is de bank nat, of het bed, of de stoel. Mijn zus is menselijker dan een mens. Ze kan niet liegen, ze kan niet bedriegen. Ze lacht, ze huilt, ze weet wat ze wil. Ze slaapt, eet, speelt, masturbeert. Mijn zus heeft een eigen wil, ze overleeft.
Ze zingt:
En da i inne.

Mijn zus dreef het gezin bijna uit elkaar, mijn zus houdt het gezin bij elkaar.
Ze heeft een rolstoel, daarin rijden wij haar rond. In de winkels is ze niet geliefd. Ze gilt en lacht en jaagt de klanten weg. Gordijnen schuiven en luxaflex knakt wanneer wij voorbijkomen met mijn zus.
We maken grapjes, willen haar leren surfen, zeilen, rolschaatsen en volksdansen.
Ze zingt:
Ei, ei, eu-e-je, wa oe je inne of?

Mijn zus woont in een inrichting, in een andere stad. Ze is elke zondag thuis. Het huis is speciaal voor haar verbouwd, maar mijn ouders worden ouder. Ze kunnen haar niet meer aan. Mijn zus moet verhuizen naar een stad dichterbij. En wat is mijn zus? Een pion in de politiek. Mensen beslissen over mijn zus, geleid door persoonlijke ambities en voor- of afkeuren van de ambtenarij.
Ze zingt:
U ei elle-ome.

We hebben altijd dezelfde arts gehouden.
Toen hij na dertig jaar met pensioen ging, wilde mijn moeder met mijn zus naar de afscheidsreceptie gaan. Ze heeft het niet gedaan.

Mijn moeder zingt:
Weet je dat er sprookjes zijn
die nooit zijn opgeschreven?
Sprookjes die voor groot en klein
voor altijd blijven leven.
Altijd, altijd, schijnt er een zon
voor de maan.
Daarom, daarom, blijven de
sprookjes bestaan.