Frits is weg. We werden vanochtend wakker en ik wist het meteen. Het ruikt niet meer naar Frits. Zijn bed is weg. Er is geen eten meer voor hem. Alsof hij hier nooit gewoond heeft. Op sommige plekken ruikt het nog wel naar hem. Maar anders. Het ruikt naar gisteren. Gisteren was er een vreemde op bezoek. Wij moesten toen naar het nest. Frits sliep al. Zijn nest stond midden in de kamer. Zou Frits met hem zijn meegegaan? Is het dan toch waar wat ze zeggen? Dat ze je zomaar kunnen weggeven aan een vreemde? Dat kan niet. Ik hoor hier. Dit is mijn taak.

Bella zegt dat ik niet zo dom moet zijn. Hoe ben jij hier gekomen, vraagt ze. Ben jij hier geboren? Of woonde je eerst ergens anders? Dat is een rare opmerking. Ik heb hier altijd gewoond. Denk ik. Bella niet. Die kwam hier opeens wonen. Frits en ik moesten heel erg aan haar wennen. Ze rook onbekend. Niet alleen omdat ze nieuw was. Maar ook omdat ze niet zoals wij is. Af en toe heb ik heel veel zin om achter haar aan te lopen, dan ruikt ze zo lekker. Bella is jong. Bijna een puppy nog. Toch weet ze veel. Waar de brokken liggen. Hoe je het kauwvel moet verstoppen. Maar waar Frits is weet ze ook niet.

We moeten wachten tot de baas beneden komt. En rustig blijven. Ik weet precies hoe lang ik kan blijven liggen tot de baas beneden is. Dan sta ik al klaar bij de deur en dan gaan we inspecteren. Frits hield niet van inspecteren. Die ging op het veldje voor het huis liggen tot we terugkwamen. Frits wist dat ik dat wel kon. Inspecteren en de boel op orde maken. We moeten het elke dag op orde maken anders wordt het chaos. Als je een dag niet inspecteert duurt het week voor je terrein weer op orde is. Dan gaan anderen je gebied inspecteren en op orde maken. Bella inspecteert op een gekke manier. Bella is anders. Net als baas en tweedebaas . Die inspecteren helemaal niet. En hun terrein afbakenen doen ze ook niet. Daarom doe ik het maar extra goed voor hen. Een konijn! Kijken of ik hem kan vangen!

Hé Frits! Frits is hier geweest! Ik roep Bella en die vraagt of ik teveel aan het gat van de kat van de buren heb geroken. De geur is oud, zegt ze. Ik denk toch echt van vanochtend, Bella zegt van gisterochtend. Ik weet het niet. Ik hol snel naar baas en tweedebaas om haar te vertellen dat Frits hier is geweest, maar die geeft het stiltecommando. Baas is zelf ook stil. Ze ruikt stil. Misschien moet ik haar opvrolijken. Ik pak een stok en ga die brengen, dat is een spelletje dat de baas leuk vindt. De baas gooit hem dan zo ver mogelijk weg. Ik ga hem dan weer halen. De baas kan er nooit genoeg van krijgen. Ik help graag, ook al gaat mijn poot er van zeer doen. Mijn poot doet pijn. Maar ik wil dat de baas vrolijk is. Als de baas vrolijk is word ik vrolijk. Die pijn gaat wel over.

Daar is het veldje! Frits! Frits! roep ik. De baas pakt me meteen vast en geeft een gehoorzaamcommando. Ik snap het niet. Ik wil alleen maar helpen. Ik wil dat we Frits vinden. Frits is de oudste. Ik weet niet alles wat Frits weet. Bella zegt dat Frits ook niet alles weet en dat hij de laatste tijd niets meer wist. Als we binnen zijn is tweedebaas beneden. Die ruikt ook al stil. Frits zijn etensbak staat er niet. Als Frits zijn eten liet staan mocht ik het opeten. Misschien dat Bella... Oh, al goed, al goed, eet zelf maar op. Als ik nu goed oplet krijg ik een stukje vlees van de tafel.

Er is iets aan de hand. Ik weet niet wat het is. Er is iets. Er gaat iets gebeuren. Als Frits er was had ik het kunnen vragen. Frits weet alles. Er wordt een nieuw nest naar binnen gedragen, dat komt boven te liggen. De baas van de familietroep kwam langs. Er zijn deze week meer onbekenden langs geweest. Ik heb hem begroet zoals het hoort. De baas en tweedebaas zijn ook al de hele dag druk met eten kopen. Als ze weg gaan veranderen ze eerst het huis. Als ze terugkomen zetten ze alles weer zoals het stond. Ik heb heel vaak het ligcommando gekregen vandaag. Ik dacht even dat ik Frits voorbij zag lopen. Bella maakt zich daar niet druk om. Dit kauwt op haar kauwvel en jaagt me weg als ik te dicht in de buurt kom. Waar zou Frits toch zijn?

Ik begrijp het niet. Er zijn opeens twee nieuwen in de troep. De bel ging en daar waren ze. Ze zijn meteen opgenomen door de baas en tweedebaas. Misschien hebben ze aan elkaars gat geroken toen ik het niet zag. De ene nieuwe ruikt naar kat. Ik ruik een oude kat aan zijn vacht en aan zijn handen. De ander ruikt naar een andere troep. De baas daarvan is er niet. Een ondergeschikte en een losse. Die hadden natuurlijk een troep nodig. Je moet altijd bij een troep zijn. Baas en tweedebaas zijn goede zorgers. Daarom is er een nieuw nest, natuurlijk. Daarom is er zoveel eten. Baas en tweedebaas delen hun eten met hen. Ze zeggen dat het goed is. Als dat maar goed gaat. De troep moet wel intact blijven. Frits is al weg. Ik wil niet nog een keer naar een andere troep.

Wacht eens, hoe kom ik daar nu weer bij? Ik heb hier altijd gewoond. Toch? Was Frits maar hier, dan kon ik het vragen.

We gaan met de hele troep op inspectie door de bomen. Als het donker is moet ik stil zijn. Ik zal aan de nieuwelingen in de troep laten zien hoe je je moet gedragen. Frits! Hij heeft hier gelopen. Ik weet het zeker. Bella zegt dat ik moet ophouden. Maar zij weet ook niet waar Frits is. De nieuwen inspecteren niet. Ze lopen mee met de baas en tweedebaas en ze zijn niet stil. Dat is omdat ze nieuw zijn. Als ze de inspectieronde kennen zullen ze beter hun best doen. Mijn poot doet weer pijn. Baas en tweedebaas hebben speciaal eten voor me. Als ik dat doorslik wordt de pijn even later minder. Baas en tweedebaas zijn minder stil. Dat is fijn.

Baas en tweedebaas en de nieuwen gaan pas laat naar hun nest. Bella gaat dicht bij baas en tweedebaas zitten. Ik kan niet zo dichtbij komen. Ik ben veel te groot. Af en toe snuffel ik aan de nieuwe met de kattenlucht. Hij begint al naar onze troep te ruiken. Ze drinken vies troebel water. Ik hou niet van de lucht die dan uit hun vacht komt. Dat doet me denken aan de witte vachten op de stinkplek. Ik kom daar niet graag. Ze eten ook worst. We krijgen altijd worst. De ene nieuwe deelt niet met me. De ondergeschikte wel. Die weet hoe het hoort. Ik krijg niet meer eten omdat Frits er niet is. Frits! Ik heb al heel lang niet aan hem gedacht.

Ik ben in de war. Ik was vannacht ergens anders. In een andere troep. Ze roken allemaal goed. Ze leken allemaal op mij. We hadden hetzelfde bloed. We inspecteerden samen de buurt. We sliepen allemaal dicht bij elkaar. We waren gelukkig. En toen gebeurde er iets geks. Telkens verdween er iemand van de troep. Er kwam iemand en dan was er weer een broer of zus weg. Gelukkig kwamen er telkens nieuwe pups bij. En op een dag kwamen ze mij halen. Toen het licht werd was ik gewoon hier. Dat is gek. Hoe kan ik opeens van de ene plaats op de andere komen? En waar was ik? Ik kende het daar allemaal. Vreemd. Heel vreemd.

Frits vertelde ooit dat de troep eerst ergens anders woonde. Ergens waar altijd herrie was. Niet in de eigen plek, maar daarnaast. Baas en tweedebaas roken altijd bang. Altijd harde knallen. Daar hou ik ook niet van. De troep die naast onze troep woonde wilde de macht. Die hebben ze gekregen, onze troep is hier naartoe gegaan. Gek dat ik me dat niet meer kan herinneren. Ik heb hier toch altijd gewoond? En waarom heb ik daar niets aan gedaan?

Baas en tweedebaas zijn heel lang weg met de nieuwe troepleden. Bella zegt dat ze ons achterlaten en dat de nieuwen onze plek innemen.

Ze komen terug als het donker is. Ik laat zien dat ik het niet erg vind dat er nieuwe troepleden zijn. De ondergeschikte kijkt ons de hele tijd aan. De andere die naar kat ruikt zit de hele tijd. Hij raakt me nooit aan. Ik duw af en toe tegen hem aan om te laten zien dat dat moet. Hij doet niet mee. Ik moet weten wat zijn positie is. Anders raak ik in de war. Hij onderwerpt zich niet. En hij baast niet. Hij zit daar alleen maar. Dat klopt niet. Je onderwerpt of je baast. Zelfs baas en tweedebaas doen het. Tweedebaas onderwerpt en baas baast. Of andersom.

Vanavond is het heel druk. De familietroep is er. Ze ruiken bijna hetzelfde als onze baas en tweedebaas . Ik hou van de drukte. We krijgen dan veel aandacht. Bella wordt verzorgd en ik wordt geaaid. Ik krijg hapjes. Van hen wel. Zij weten hoe het hoort. Kijk, de nieuweling met zijn kattenlucht maakt eten voor baas en tweedebaas . Ze vertrouwen hem al. Hij mag ze voederen. Ik breng ook wel eens eten voor baas en tweedebaas mee. Dat eten ze niet op. Dat weet ik. Maar dat van de nieuwen wel. Dat eten ze wel op.

Ik kreeg een zitcommando! Niet van de baas, maar van de nieuwe die naar kat ruikt. Niet doen, zei Bella meteen, niet luisteren. Wat denkt hij wel niet. Nee, natuurlijk niet. Ik luister alleen naar baas en tweedebaas. Hoe kan een nieuwe denken dat ik naar hem luister? Wat denkt hij wel niet? Hij gaf me een zitcommando! Ik ben meteen weggelopen uit protest en in mijn nest gaan liggen Als ik op mijn poot bijt word ik weer rustig.

Regels zijn regels. Het heeft heel lang geduurd voor ik mijn positie heb bereikt. Die laat ik me niet zomaar ontnemen. Nu Frits weg is moet ik zijn taken overnemen. Of wacht eens... Vlak voor Frits wegging kwamen er opeens ook allemaal nieuwelingen over de vloer. Frits had pijn. Frits was oud. Hij moest vaak mee naar de stinkplek waar ze in witte vachten van alles in je lijf steken en je bek opentrekken en in je gat poken en overal knijpen en prikken. Ik ben daar ook geweest voor de pijn in mijn poot.

O.

Ik heb ook pijn.

...

Ze komen me ophalen. Dat is het. Ik weet het zeker. Frits had pijn en die is opgehaald. Hij is naar een andere troep gebracht. Daar is deze ook voor gekomen. Daarom geeft hij me zitcommando’s. Hij komt me ophalen. Maar ik zal laten zien dat ik nooit naar hem luister. Alleen naar mijn eigen baas en tweedebaas . Frits sliep. Daar, in het midden. Hij sliep heel diep. Ik moet niet gaan slapen, want dan neemt hij me mee. Baas en tweedebaas houden hem niet tegen. Frits is ook weggegaan. Zijn geur wordt steeds ouder. Ik moet iets doen.

Als ik nu heel stil in de hoek ga zitten vergeet hij me misschien mee te nemen. Als ik niet luister en wegloop als hij me een zit- of ligcommando geef dan wil hij me misschien niet meer. Baas en tweedebaas zijn heel aardig tegen hem. Ik vertrouw het niet. Ik ben bang voor hem.

De familietroep is weg. Ik ben nog steeds hier. Misschien kan ik de nieuweling ervan overtuigen dat ik hier moet blijven. Ik blijf rustig en stil. Ik maak mezelf klein en onzichtbaar. Ze zitten met zijn allen bij elkaar. Baas en tweedebaas zijn niet meer zo stil als eerst. Weten zij niet dat Frits weg is, of vinden ze het gewoon? Frits zou wel weten wat er ging gebeuren. Bella niet. Bella weet niet zo veel. Wie moet haar beschermen als ik weg ben? Ik kan hier niet zomaar weg. Ik moet ook baas en tweedebaas beschermen.

Ik moet het de nieuweling vertellen. Ik weet dat baas en tweedebaas mij kunnen verstaan. Misschien begrijpt deze me ook wel. Als ik gewoon mijn hoofd op zijn knie leg en hem aankijk. Ik kan hier niet weg. Ik heb een taak. Ik moet inspecteren. Ik moet bewaken. Snap je dat, vreemdeling? Ik moet deze plek verdedigen. Ik wil niet weg. Die pijn gaat wel over. Snap je?

Als hij niet reageert ga ik weer naar mijn nest.

Er schijnt zonlicht in mijn oog. Ik was weer op die plek. Ik weet niet hoe ik daar telkens kom. Ik herkende iedereen. Ik deed mijn inspectieronde en herkende alle geuren. Ik kreeg ander eten. Het was niet hier. Zou het toch waar zijn? Heb ik eerst ergens anders gewoond? De andere troepleden leken meer op mij dan baas en tweedebaas die ik nu heb. Wie zijn baas en tweedebaas dan? Als ze me weggehaald hebben uit die troep verstoten ze me misschien nog een keer.

Ik hoor de nieuweling met de kattenlucht. Waar zou Frits toch zijn? Soms denk ik dat ik hem hoor. We waren zo’n goede troep. Frits zou het weten. Nu is alles anders. Waar is Frits?

Frits?

Frits?