Si non e vero, e ben trovato
De kotsende bruid greep zich aan me vast en boog over de balustrade van de Domtoren. Veertig meter lager kletterden een half lopend buffet, een receptie en een champagnetoren op straat. Ik hoorde een verontwaardigde brul van beneden.
‘Gaat het met je?’ vroeg ze, terwijl ze haar bruidsjapon ruisend schikte.
‘Dat kan ik beter aan jou vragen. Ik wilde wat dichter bij de sterren zijn, kijken of ik een vallende ster kon zien. Vandaag komen de Perseïden voorbij.’
‘Ik maakte me zorgen om je. Ik zag je naar boven lopen en je kwam maar niet terug.’ Ze kwam achter me staan en vouwde haar armen om me heen. Ze stonk zurig uit haar mond.
‘Geef ik aanleiding tot zorgen, mevrouw Baart de la Faille?’
‘Jij mag me nog steeds Soledad noemen. Al is die naam niet meer van toepassing.’ Ze legde haar wang tegen mijn rug.
‘Ook als je getrouwd bent kun je verdomd eenzaam zijn.’
‘Ik niet. Ik zal nooit meer eenzaam zijn. In ieder geval de eerste zeven maanden niet.’
‘Ik mag hopen dat je huwelijk langer duurt. Zonde van je goeie geld.’ De koopavond liep op zijn eind. De geluiden van vlaggen en reclameborden die naar binnen werden gehaald mengden met die van optrekkende auto’s en remmende de bussen. Hoe je dat nog kon horen op deze hoogte.
Ze zuchtte. ‘Wil je me niet begrijpen? Ik ben zwanger.’
O. ‘Gefeliciteerd. Denk ik. Vandaar dat je mannetje beneden zo vrolijk op het feest rondspringt.’
‘Hij weet het nog niet. Alleen ik. En jij nu.’
Ik was er even stil van.
‘Ik ga het hem straks vertellen.’ Ze keek nog eens naar beneden. ‘Ik heb wel eens gezien dat honden hun kots opeten. Varkens schijnen andermans kots te vreten.’
‘Varkens en honden zijn viezerikken. Qua varkens en honden ben ik Islamiet. Je hebt een auto geraakt zie ik.’
Ze grinnikte. ‘Ik geloof het ook, ja.’
Zwanger. Soledad, met haar soepele melkchocoladekleurige meisjeslijf zwanger. Ze had er geen gras over laten groeien. Voorheen Soledad van den Broek had een Nederlandse vader en een moeder die een Mexicaanse mengelmoes was met Spaans, Duits en erg veel Indiaans bloed erin. De naam Soledad – Eenzaamheid, hoe verzin je het – was niet het enige Mexicaanse aan haar. Ze was alles wat je aan vurigheid en wispelturigheid van een Latina kunt verwachten, vermengd met een diepe religiositeit. Getrouwd in de kerk, het feest in de Michaëlskapel in de Domtoren.
We hadden een paar maanden daarvoor kort het bed met elkaar gedeeld, terwijl haar verloofde iets idealistisch deed voor Artsen zonder Grenzen, of Boeren zonder Harken, ik vergeet het steeds. Soledad had duidelijk gemaakt dat het voorbij zou zijn als haar aanstaande terugkwam; de trouwdatum was al vastgesteld. Niet dat het onder andere omstandigheden iets had kunnen worden. Ze was idealistisch, op een dodelijk vermoeiende zweefkezerige manier. In Mexico Stad had ze stage gelopen bij een project van de missie om straatkinderen uit de prostitutie te halen. Dat waren waarschijnlijk dezelfde kinderen die door nonnen en paters gered waren uit de naaiateliers van schoen- en kledingmultinationals, en die nu op een andere manier hun moeder probeerden bij te staan. We namen zonder veel plichtplegingen afscheid van onze gezamenlijke geschiedenis toen haar aanstaande uit een malarialand terugkwam. Ik heb hem zelfs samen met Sole opgehaald van het vliegveld met mijn auto.
Het was warm, zelfs voor een augustusavond. Van beneden uit de Michaëlskapel kwamen af en toe flarden van profane feestmuziek. Als je de Dom besteeg vertelden de gidsen altijd dat de torenwachter café hield in de toren. Om er te komen moest je door de Michaëlskapel, waar toen de bisschop van Utrecht woonde. Toen hij dat beu was kon je alleen nog met een ladder buitenom in de kroeg komen. Er zaten waarschijnlijk ook hoeren. Bij het weggaan wilde een dronken bezoeker nog wel eens een treetje missen en te pletter storten. Daar kwam de term ‘ladderzat’ vandaan, werd er dan triomfantelijk aan toegevoegd. Ik heb het verhaal zeker zeven keer gehoord, dus het zal wel waar zijn. ‘Si non e vero, e ben trovato,’ zeggen ze in Italië: als het niet waar is, dan is het goed verzonnen.
‘Moet je niet naar beneden, voor ze zich zorgen gaan maken?’
Sole glimlachte en haalde diep adem. ‘Nog even. Ik zou hier wel voorgoed kunnen blijven staan,’
Ik ook. Ze hadden een huis in Amsterdam gekocht, ik zou haar nooit meer zomaar tegenkomen. Haar borsten drukten warm door haar jurk tegen mijn rug. Ik maakte me los uit haar greep en gaf haar een kauwgommetje. ‘En dan, mevrouw Baart de la Faille? Je leven als gargouille slijten, terwijl de elementen langzaam je gezicht wegslijten tot een karikatuur?’
‘Ghar... ghoeje?’
‘Waterspuwer.’
‘O. Nou en? Dat doet het dagelijks leven ook. En sneller.’
Ik wandelde naar de Dompleinkant van de Domtoren en mompelde dat ik tegen een monument ging pissen. Ik hoefde niet echt. Ik moest even nadenken. Maar Sole kwam me achterna.
‘Aah, mag ik hem nog een keer zien?’
Het was haar dag, dus ik draaide me om.
‘O! Een Domtorentje!’
‘Zoiets ja. Een Erectio Christo.’ Ik ritste mijn gulp voorzichtig dicht. Ik kende mijn klassieken.
‘Een wát?’
‘Potjeslatijn misschien, ik weet de exacte term niet meer. Jezus aan het kruis wordt meestal met een erectie afgebeeld. Om te laten zien dat hij mens was geworden. En om zijn herrijzenis alvast aan te kondigen. Overigens schijnen mannen die worden geëxecuteerd altijd een erectie te krijgen, van de adrenalinestoot.’
Sole keek me met onschuldige ogen aan. ‘Ben je herrezen of beng voor het executiepeloton?’ En meteen daarna: ‘Je moet niet spotten.’
‘Dat doe ik ook niet. Ik ben ook maar katholiek opgevoed. Het is een en al vruchtbaarheidscultus bij ons, van kerstbomen tot paaseieren tot en met kerken. Heb jij de Notre Dame in Parijs of de Dom van Keulen wel eens goed bekeken. Dat moet jou als zwangere vrouw toch aanspreken. Ga er recht voor staan en wat zie je dan? De twee torens naast het portaal zijn de opgetrokken benen... de deur die uit twee delen bestaat, als... een vagina (ik wist dat Sole een hekel had aan drieletterwoorden) met de deuren aan weerszijde als schaamlippen... en daarboven het roosvenster als clitoris. Over moederkerk gesproken, zo’n kerk dat is een barende vrouw die na elke mis verlichte gelovigen op de wereld zet. En omgekeerd, ter kerke gaan, dat is ‘ingaan’ in de ware zin des woords, terugkeren tot de moederschoot, de poort naar de hemel. O zie de devote koppen van hen die ter kerke gaan. De verzaliging als ze de grote ruimte binnen gaan. Die middeleeuwers wisten wel wat ze deden. En wat er zich dan binnen in zo’n kerk afspeelt, met vleesgeworden brood en wijn die in bloed verandert...’
Sole kapte me af. Van haar hostie moest je afblijven. ‘Wat een kletspraat. En de Domkerk dan?’
‘Dat is flauw. Je weet wat er met de Domkerk is gebeurd. Die is verminkt. Na de instorting van het middenschip is die dichtgemetseld. Er is een klein onopvallend ingangetje overgebleven. Daar valt niets meer mee te metaforeren.’
‘Dichtgenaaid als een Somalische vrouw...’ zei Sole bijna onhoorbaar.
‘Gad-ver.’ Ik meende het, de vergelijking was niet eens in me opgekomen, maar ik hield me dan ook niet bezig met al het onrecht van de wereld. ‘Mooi gezegd, Sole. Bij de Beeldenstorm is eerst de binnenkant leeggeschraapt en na een echte storm werd de kerk dichtgemetseld. Iedere stad krijgt de kerk die hij verdient en de Domkerk past precies bij Utrecht. Nuchter. Gesloten. Wars van uiterlijk vertoon. Lust en passie weggestopt in donkere hoekjes... Goed dat je verhuist, deze stad is niet goed voor jou.’
De klokken sloegen langzaam. Negen keer.
‘Tijd om naar beneden te gaan, Assepoes.’ Ik maakte aanstalten, maar Sole hield me tegen.
‘Verder nog iets?’ Ik had haar nog nooit zo ernstig zien kijken. Het was de afgelopen zeven minuten een stuk gezelliger geworden beneden, hoorde ik, het gezang (nieuwe teksten op bestaande melodieën) en gelach rees langzaam omhoog. O, ja, Soledad Baart de la Faille - Van den Broek, natuurlijk wilde ik graag weten hoe lang je al zwanger was en waarom ik, ik van alle mensen dat het eerste moest weten, maar voor ik iets kon vragen vloog de deur open. Het was niet de jaloerse echtgenote, tenminste, hij was niet alleen, maar kwam in het kielzog van een mager opgefokt mannetje dat meteen in plat-Utrechts begon te schreeuwen, ‘Welke kankelul hep er op mijn auto gekots?’
Ik zag hoe Soledad zich naar hem toekeerde en voor ze in haar onschuld iets kon zeggen, zei ik dat ik het gedaan had. Toen ik zijn pupillen van dichtbij zag wist ik dat ik goed had gereageerd. Hij was al te ver heen om zich te realiseren dat je vrouwen niet slaat. Hij raakte me tussen me ogen. Hij had een boksbeugel. Het laatste wat ik dacht terwijl ik viel: ‘Hé, je ziet écht sterren...’
[Ter gelegenheid van het 750-jarige bestaan van de Domkerk schreef ik dit verhaal (het is me alleen niet helemaal meer duidelijk of dit nu alleen een fragment is, of het hele verhaal). Het werd de basis voor het Work In Progress dat je op deze pagina's kan volgen.]