Ergens het late voorjaar van 1993 waren Roos en Arnie in een aflevering van Goede Tijden Slechte Tijden mijn marionetten. In één scène zeiden ze wat ik had opgeschreven. Eén scène, dat was mijn hele productie na drie maanden scenarioschrijven en ik kreeg er nog niet eens voor betaald ook. Tegen de tijd van uitzending was ik allang vertrokken bij ‘De Eerste Nederlandes Scenario School’ Doctor Proctor van Rogier Proper. Met droge ogen.
Op dramagebied staat de soap onderaan de ladder. Ook bij mij. De oneindige traagheid, het acteren voor de achterste rijen, de eeuwige talking heads, de betekenisvolle blik aan het eind van een scène, het doet mijn dingetje niet groeien. Goedheid wordt beloond, slechtheid gestraft. Dat die straf voor het slechte seizoenenlang uitblijft, is niet meer dan de delayed fuck die de boel gaande houdt.
Waarom ik dan toch had gesolliciteerd als soapschrijver? Ik hoopte er iets van te leren. Scènes opbouwen, spanningsbogen strak houden, dialogen bedenken, gedisciplineerd werken. De Eerste Nederlandse Scenario School hanteerde echter de methodiek van trial and error, zodat ik wel te horen kreeg dát het beter moest, maar niet hóe het beter moest. Ik dacht ook dat het gemakkelijk geld was, duizend gulden voor een avond werk per week. Het bleek verdomd moeilijk. Niet vanwege de strakke regels waaraan soapschrijven is onderworpen. Er is iemand die de verhaallijnen doet, er zijn mensen die dat omzetten naar scènes, waarna de scriptschrijvers het uitschrijven in dialogen. De scènes moeten een bepaald verloop hebben, de dialogen moeten een bepaalde toon hebben. Daarvan wordt niet afgeweken. Een soap is een format en dat valt best onder de knie te krijgen. Maar na drie maanden schreef ik voortdurend parodieën, zoals Proper mij verweet. Ik moest het wel serieus nemen. Dat was het moeilijkste: ik kon het hele genre niet serieus nemen.
Dat kwam ook door de sfeer die er hing. De schrijvers keken neer op de manier waarop de acteurs (met name Reinout Oerlemans, met zijn onvergetelijke huilscènes) hun teksten vlak en onverstaanbaar uitbrouwden. De acteurs keken neer op de pretentieuze schrijvers met hun meerlettergrepige woorden en Proper keek neer op iedereen. ‘De regie is niks en de acteurs zijn niks. Als dan de tekst ook niks is blijft er helemaal niks meer over,’ zei hij en voor straf moesten we nablijven en slechte afleveringen van GTST bekijken.

Buiten Martin Bril weet ik van geen schrijvers die soapscenario’s hebben geschreven, dus misschien had ik beter kunnen beginnen als schrijver van ‘romantische lectuur’, de tegenhanger in boekvorm van de soap. Ik vraag me af alleen of ook dit soort driestuiverromannetjes een goede schrijftraining bieden. Ik zou waarschijnlijk alleen maar parodieën schrijven. De weinige schrijvers die toegaven zich met dit soort werk bezig te houden heb ik nog nooit op een literaire shortlist zien staan. Je kunt je beter met andere vormen van broodschrijven bezig houden: Elsschot en Van Kooten waren copywriters en Nobelprijswinnaar Garcia Márquez is begonnen als columnist.

Op soaps en romantische lectuur wordt neergekeken. ‘Cultureel dédain’, heet dat. Uit onderzoeken (Kraaykamp en Kalmijn, 1998) is gebleken dat deze genres voornamelijk een laag-opgeleid, minder dan modaal verdienend publiek met een lage sociale status aantrekken. Zeg maar de grootste groep Nederlanders. Ik ken daarnaast maar genoeg hoog-opgeleide consumenten van soap en Bouquetreeks, maar voor hen is het camp of cult.
En daar zit iets paradoxaals. De GTST-scenario’s werden (en worden) geschreven door academici onder leiding van een VPRO-coryfee. In tegenstelling tot mij namen zij het genre wel serieus. Ik ben ook ooit eens een half televisieseizoen jurylid geweest bij ‘Sandra’s Verjaardagsshow’, een productie van John de Mol waarin Sandra Reemer twee jarige kandidaten zeven moeizame spellen liet spelen. Ook hier in de redactie: de ene Neerlandicus na de andere historicus. Noem een debiliserend Endemol-programma en er zit een universitaire- of hooggeschoolde redactie achter, of het nu de Surprise Show is of Big Brother.
Ik neem aan dat dit allemaal VPRO-leden zijn met een abonnement op de NRC of de Volkskrant, een vaste ligstoel op het strand van Bloemendaal en de nieuwste Houellebecq op het nachtkastje. Maar ook zij schijnen het genre serieus te kunnen nemen.
Het is opvallend dat de ‘brood-en-spelen’-programma’s gemaakt worden door mensen die niet uit de doelgroep komen. Waarschijnlijk had Proper gelijk. Het programma is niets, de presentatie is niets en als de redactie dan door tante Truus uit Assen wordt gedaan blijft er helemaal niets over.

Ben ik een hautaine intellectueel die met cultureel dédain neerkijkt op soap en ‘romantische lectuur’? Misschien, maar in het najaar van 1999 maakte ik iets grappigs mee.
Ik werd door Perdu gevraagd een bijdrage te leveren aan de opening van het literaire seizoen 1999/2000. Het thema was kitsch en romantiek. Het leek mij aardig een verhaal in gepaste romantische stijl te schrijven. In een kringloopwinkel kocht ik voor een paar kwartjes een stapel boekjes om de cliché’s onder de knie te krijgen.
Ik werd niet verrast door de carrièrevrouwen die ik erin tegenkwam. Ook niet door de prentbriefkaartlandschappen die beschreven werden. Ook niet door de manier waarop vreugde en verdriet werd beschreven. Maar wel door de nauwelijks verbloemde seks. In plaats van me laten inspireren besloot ik een aantal verhalen tot een romantisch pornoverhaal te gaan sampelen. Maar waar moest het verhaal heen? Door de boekjes bladerend kwam ik de onschuldige uitspraak ‘Welterusten, papa’ tegen. Zo ontstond het in Passionate juli/augustus gepubliceerde Brandende liefde: een verhaal in de clichématige trant van afstoten en aantrekken, overweldiging en overgave in herkenbaar idioom. Maar pas met de allerlaatste zin wordt duidelijk dat het over een vader gaat die zijn dochter neukt.
Ik werd ook niet verrast door de reactie van de zaal. Het literair getrainde publiek was eerst afwachtend, moest dan lachen om de opeenstapeling van cliché’s: de zwoegende boezems, de peilloos diepe ogen én de bizarre omschrijving van het geslachtelijk verkeer, de lichaamsdelen en de zaadlozing. Na de laatste zin ging er een schokgolf door de zaal. De luisteraars voelden zich gepakt. Ze hadden gelachen om incest.
Ik heb het nu een paar keer voorgelezen en de reactie is telkens hetzelfde.
Maar wat ook iedere keer hetzelfde is, is de enorme bekendheid van het publiek met het genre. Als je de stijlbloempjes niet kent kun je er ook niet om lachen. Ook werd ik in Perdu door een bezoekster erop gewezen dat het vertelperspectief altijd vanuit de vrouw is en zeker niet wisselt, zoals in Brandende liefde. Iedereen volgt wel eens een soap, iedereen leest wel eens een Bouquetreeks.

Playboy weigerde Brandende liefde te publiceren. In Seventeen was het een ranzig verhaal geweest. Maar in Passionate, een literair tijdschrift, was het blijkbaar weer wel op zijn plaats.
Is het me daarmee gelukt geen romantische lectuur maar romantische líteratuur te maken? Ik denk het niet, maar daarvoor moet ik eerst uitleggen wat volgens mij het verschil is tussen ‘literatuur’ en ‘lectuur’, zoals ik horror-, thriller-, science-fiction- en romantisch lectuur even zal samenvatten
Dit zijn mijn geadopteerde definities.
Literatuur ontregelt, lectuur bevestigt. Literatuur geeft de lezer iets waarvan hij niet wist dat hij het miste, lectuur geeft de lezer precies wat hij wilde. Literatuur vermijdt of ontstoft cliché’s, lectuur maakt en gebruikt ze schaamteloos. Literatuur roept vragen op, zonder de lezer met onbeantwoorde vragen achter te laten, lectuur beantwoordt alle vragen. Literatuur overschrijdt grenzen, lectuur blijft erbinnen. Literatuur maakt van het particuliere het universele, lectuur van het universele het particuliere. Literatuur is een gevecht waarin de lezer teleurgesteld is als hij wint omdat hij de slagen van ver ziet aankomen, lectuur is een gevecht waarin de lezer om dezelfde reden voldaan is. Literatuur is met smaak vreten wat de pot schaft, lectuur is friet met kip op je verjaardag en niks anders.

Laten we er eens van uitgaan dat deze definities deugen, dan nog mag je als schrijver alleen maar hopen dat het je lukt te ontregelen, vragen op te roepen, grenzen op te rekken en slagen uit een onverwachte hoek te laten komen. En dan bidden dat dat tien jaar later nog dezelfde uitwerking heeft... Wat leest het publiek over vijftig jaar nog uit deze tijd: Harry Mulisch of Lulu Wang? Abdelkader Benali of Connie Palmen? Marcel Möring of Leon Gommers?
Literatuur komt voort uit de durf al experimenterend je nek uit te steken. Uit de drang iets op te schrijven zonder te bedenken of iemand er behoefte aan heeft het te lezen, terwijl je ondertussen voelt dat je er toch iemand mee zal raken. De schrijver van literatuur neemt zijn lezer niet aan de hand, spreekt hem niet belerend toe, gaat niet op de knieën, maar laat hem in een intellectuele worsteling zelf het verhaal ontvlechten.
Zo niet in de lectuur, al moet ik een voorbehoud maken. Er zijn science-fiction-, horror- en thrillerboeken die de grens met de literatuur ernstig vervagen. Stranger in a Strange land van sf-auteur Robert Heinlein bijvoorbeeld of Misery van Stephen King (ik geloof overigens dat het oeuvre van Stephen King gebaseerd is op zijn frustratie dat hij literair niet serieus genomen wordt). Wat doe je met De donkere kamer van Damocles, door John le Carré een van de beste na-oorlogse thrillers genoemd? En horen thrillers, science-fiction en horror de lezer ook niet uit een onverwachte hoek te pakken? En waarom komen er tegenwoordig geen schrijvers, maar RTL-coryfeeën uit het Propria Cures-kamp?
Het is een vervaging die toegestaan is. Maarten ’t Hart die De Gouden Strop wint is niet gekker dan Ronald Giphart als disc-jockey op 3FM.

De literatuur blijft echter hermetisch gesloten voor de romantische lectuur. De damesroman, de driestuiverroman, de kasteelroman, de doktersroman, de bouquetreeks.
De romantische lectuur is het meest schematisch. Het is de soap onder het leesvoer. Kan het in de andere genres nog pagina’s duren voor je weet of je op Mars, in zombieland of onder een terroristisch opleidingskamp bent, in de wereld van de romantische lectuur ben je vanaf de eerste zin. Precies zoals je bij het zappen in een flits ziet dat je in ‘Mooi en Meedogenloos’ bent terechtgekomen.

In het verhaal Op kamers, dat ik in 1989 voor de Volkskrant maakte, beschrijf ik de eerste keer van twee studenten in de taal van romantische lectuur: ’s Ochtends, elkaar kussend onder het warme water van de douche, lauw vergeleken met onze brandende hartstocht, beslisten we dat deze onwaarschijnlijke plaats de plaats van onze eerste keer was. En op het moment dat onze lichamen elkaar beslissend raakten, werd er op de deur van de douche gebonkt.
Toen het verhaal gebundeld werd, struikelde gelegenheidsrecensent Sander van Walsum van het Utrechts Universeitsblad door deze cliché’s verontwaardigd over zijn woorden. De sukkel had de ironie van de stijlbreuk niet gezien, maar het maakt wel duidelijk dat de muur tussen literatuur en romantische lectuur hoog opgemetseld is.

Ik hou er wel van als iets op de rand balanceert. Het is die opwindende nabijheid van de kitsch die veel proza (Van der Heijden) en poëzie (Ingmar Heytze), schilderijen (Hopper) en foto’s (Martin Parr) van de onverteerbare ernst redt.
Maar waarom word je gestraft als je personage vol overgave het bewijs van zijn verlangen doorslikt? Literatuur moet immers grenzen oprekken. Een kruisbestuiving zou een opwindend resultaat kunnen hebben.
Maar niet met de romantische lectuur, dat kan niet meer. Zoals soap het laagste van het drama is, zo is romantische lectuur het laagste van de fictie.
Zoals je een soapscenario kunt schrijven op vakmanschap en routine, zo kun je ook een romantisch boekje schrijven. (Zelfs een pornoboekje: zowel de porno als de romantische lectuur gaan volgens vastgebaande paden naar hetzelfde doel. Het maakt niet uit of dat ‘een colporteur die zijn dikke tamp in een strak kutje volpompt’ is, of ‘een zelfstandige vrouw die zich vol overgave stort in de sterke armen van de weduwnaar-arts’.)
Zoals ik al zei, het genre is schematisch. Dat verklaart misschien het grote aandeel van academici in de productie. Het vereist vakmanschap, omdat je begrijpelijk Nederlands moeten kunnen schrijven en moet kunnen spellen. Maar het vereist geen creativiteit. Niet iedereen kan schrijven.
Het verdient de naam genre niet eens. Het is een schrijfstijl. Het is een flauwe afspiegeling, een slap aftreksel van literatuur. Woordkeuze, personages en verhaallijn zijn zo herkenbaar en star dat ze zich onmiddellijk lenen voor parodieëring. Er heerst een stilistisch vacuüm in de romantische lectuur, die elke vermenging stopt. Stan Laurel en André van Duin zouden ook een waardeloos duo zijn (al vraag ik me af...).
Romantische lectuur is de Blokker van het design, de Xenos van het exotisme, de Privé van de journalistiek. Het is olieverfschilderen op nummer, Tong Picasso eten bij Van der Valk. Eén Disney-achtige navertelling van de wereldliteratuur: Madame Bovary, Effie Briest, La Regenta en Anna Karenina, maar dan met een happy end.
Geen Spoorloos, maar The Vanishing.

Wij, elitaire Volkskrantlezende, filmhuisbezoekende, Proustverslindende intellectuelen zijn ons daar heel erg van bewust. Juist omdat we zo goed in staat zijn beide genres te herkennen en op zijn tijd te appreciëren, willen we dat literatuur en lectuur streng gescheiden blijven. Carpaccio van frikandel is lekker, maar het moet wel een grap blijven.
En ja, al werden in Brandende Liefde grenzen verlegd en heeft de titel een dubbele laag en kwam de klap uit een onverwachte hoek en is er ontregeld en is incest een Verantwoord Literair Thema, dat maakt van Brandende liefde nog geen literatuur. Het verhaal is een parodie, een poging de lezer op het verkeerde been te zetten. Een grap die over de schreef gaat, een literaire practical joke. Nog net geen stand-up comedy. Zoiets als onder een Arabische fantasienaam zeggen dat Allah lelijk als een aap is, om de hysterische aandacht voor knuffelallochtonenliteratuur op de hak te nemen.

Tot slot. Ik weet niet of ik gerechtigd ben te spreken met slechts één roman en één bundel op mijn naam, maar ik ben heel nuchter over literatuur. Een vriendin vroeg eens: ‘Geef mij eens een reden waarom ik jouw boek moet lezen.’ Tot haar verbijstering weigerde ik dat. Als je een reden nodig hebt om te lezen moet je niet lezen. Ik kan zelf bijvoorbeeld geen reden bedenken om naar een voetbalwedstrijd te kijken.
Een boek lézen, dat is net zo’n tijdverdrijf als een halve marathon lopen, naar een Wasteland Party gaan of Die hard with a vengeance in de bioscoop zien. Het is allemaal amusement, iets dat je alleen kunt doen als je vrije tijd hebt.
Wie soaps wil kijken of kasteelromans wil lezen mag dat van mij, ik zal er geen woord vuil aan maken. Ik heb respect voor de mensen die het serieus nemen en ik kan er wel met cultureel dédain op neer kijken, maar gezien de oplages (literatuur heeft een oplage van tienduizenden, lectuur van miljoenen), lopen de producenten toch lachend naar de bank.
Zolang je er maar uithaalt wat je erin zoekt, is er weinig verschil tussen de romance van Dokter Chimay of de nagelaten bekentenissen van een vijftiende-eeuwse Albanese monnik.