Alles (ooit)

De wonderbril


Er was eens, niet zo heel erg lang geleden en eigenlijk niet eens zo gek ver hier vandaan, een jongetje met slechte ogen. Hij zag alles in een waas. Wanneer iets vlak voor hem stond tuurde hij er naar alsof het aan het einde van de wereld lag. Hij had vaak hoofdpijn.

Maar wat ver weg lag zag hij helemaal niet. En dat terwijl jongetjes zo graag nog voorbij het einde van de wereld kijken… Hij maakte een wereld voor zichzelf.
Bij de oogarts zei een lief en mooi meisje: ‘Het doet niet zeer.’ De pijnlijk koude druppels in zijn ogen – zijn eerste kennismaking met bedrog – kwamen eruit als warme tranen en veranderden de wereld in de vlekkerige waterverfschilderijen die hij soms voor zijn moeder meebracht van de school.
Een tijdje liep hij met een slechtklevende pleister op één oog. Tot het vreselijke woord viel: een bril.
Bij de opticien hingen de monturen als dode vlinders opgeprikt aan de wand. Alle zo lelijk dat het jongetje wel kon huilen. Warm zweet deed zijn bloesje kleven aan zijn rug en hij kreeg vlekken in zijn gezicht. Uit schaamte voor zijn besluiteloos getreuzel, sloeg zijn moeder hem bijna. Om er vanaf te zijn wees hij tenslotte zomaar iets aan: een bril die de opticien aan niemand anders had kunnen verkopen.
De wereld die hij voortaan kon zien maakte hem niet gelukkig. Hij werd op school alleen maar geplaagd. Ze noemden hem schele of brillejood.
Eén brilleglas kon hij als brandglas gebruiken. Dat vonden de kinderen wel leuk. Ze vonden het alleen nog leuker om hem te pesten. Niets hielp.
Hij moest ook twee jaar lang een beugel dragen. Hij lachte nooit meer, er was geen reden toe. Als de andere kinderen doktertje speelden, of postbode, dan mocht hij niet meedoen, of ze speelden vals. Om zijn brilletje en om zijn beugel. Het leven op straat als voorbode van het leven later. Stiekeme stompen, dat kon hij verwachten.
Eens struikelde bij een ruw spelletje de dikkerd van de klas. Zijn gipsen been om op te schrijven kreeg veel belangstelling. Dat bracht het jongetje op een idee. In de speeltuin liet hij zich uit de glijbaan vallen. Hij kneusde zijn pols en kreeg er niet eens gips om. ‘Stomme witarm, stomme witarm’, scholden de kinderen.
Ze zeiden professor tegen hem, omdat hij als eerste zijn sommen afhad. En omdat hij een bril droeg.
Omdat hij nooit mocht meespelen begon hij veel te lezen. Op een dag herhaalde hij iets dat hij in een boek had gelezen. De lieveling van de meester moest lachen. Het jongetje kreeg straf, maar hij vond niet erg. Zijn grappige opmerkingen bleven door de klas dwarrelen. Alleen lachten de kinderen niet om zijn grapjes, maar om de hardnekkigheid waarmee hij strafwerk opliep. Ze lieten hem zichzelf pesten, de wreedste kwelling.
De nieuwe jongen werd zijn redding. Een nerveuze broekepieser met dikke lippen en rossig haar die door iedereen bespuugd en geslagen werd, tot hij jankend om zijn moeder riep. Het jongetje stond bij alles vooraan, blij dat hij er nu eindelijk bijhoorde.
Na een paar maanden verdween de pispaal, er was geen leraar die zijn verhalen ooit had geloofd. En het jongetje, vol schaamte en hernieuwde angst, deed zijn best niet meer te bestaan.

Toen ging hij naar een andere school. Daar werd hij een onopvallende leerling. Werd hij ziek, dan was er niemand die hem miste. Zelfs de gymleraar, die anders precies wist wie er spijbelde, merkte nooit dat hij regelmatig wegbleef.
Alles wees er op dat hij zou eindigen als alle andere jongetjes die vroeger gepest werden. Jongetjes die stotteren, een grote neus hebben, lang of kort zijn, een bril of beugel dragen: zij verdwijnen uit de herinnering als mensen. Alleen het karikatuur blijft over.

Op de dag dat het jongetje een toverfee tegenkwam veranderde zijn hele leven. Zij was de mooiste vrouw die hij ooit gezien had, al wist hij dat toen nog niet. Ze was ongeveer één meter zeventig. Ze had zorgvuldig slordig opgestoken zwart haar. Op haar wang, en op meer plekken die hij niet zien kon, had ze een moedervlekje. Haar billen waren rond en stevig, zoals haar borstjes. Ze woog ongeveer 54 kilo. Ze had een lief neusje en haar lippen glansden even vochtig als haar diepzwarte ogen. En ze loenste.
Ze had zelf lenzen, maar ze wist precies wat het jongetje nodig had. Met haar toverstafje toverde ze een wonderbril voor hem.
Zo’n mooie bril had hij nog nooit gezien. Hij kreeg een heel andere blik op de wereld. Niet alleen omdat er precies de goede glazen inzaten, maar ook omdat iedereen hem opeens een leuke jongen vond. Niet gek natuurlijk, het was écht een wonderbril. Waar hij ook met zijn bril naar keek, alles werd mooi en goed. Zijn kleren waren voortaan in orde en iedereen in zijn omgeving werd vrolijk en gezond.
Als je goed keek, was het net alsof er een glans om zijn hoofd hing en hij kon inderdaad ’s nachts zonder licht fietsen. Heel zijn leven veranderde. Mensen spraken hem zomaar op straat aan. Kennisjes nodigden hem uit om te komen eten, of zetten zelfs advertenties voor hem in de krant. Iedereen vond hem leuk en ging het eens uit met een vriendinnetje, dan bleven ze vrienden voor het leven. Hij kwam zelfs op tv en won bij elk spelletje.
De wonderbril had maar één nadeel: hij kon hem pas afzetten wanneer hij alleen was. Maar niemand vond het raar dat hij soms sliep of douchte met zijn bril op. Hij mocht gerust een beetje excentriek zijn, dat paste wel bij hem.
Natuurlijk waren er wel eens jaloerse mensen. Ze riepen hem na: Elvis Costello, Buddy Holly, Woody Allen, of zelfs Godfried Bomans.
In het begin moest hij daar alleen maar om lachen — schelden is ook een vak. Maar langzaam begon het in zijn hoofd te malen. Was de wereld nu zoveel beter? Hij léék alleen maar populair. Hij werd op zijn bril beoordeeld. Weer.
En hij keek naar al de boeken die hij nog lezen moest. Op zijn buro lagen de brieven die hij nog moest beantwoorden. In zijn agenda zag hij alle feestjes die zonder hem nooit leuk waren, waar interessante meisjes en geïnteresseerde jongens om hem heen draaiden en…
Opeens werd hij erg verdrietig. Hij stopte de wonderbril in zijn binnenzak en liep de stad in. Het was de grauwe hel van de watten daaglijksheid van vroeger. De mensen liepen elkaar op straat zonder te groeten voorbij. En er was niemand die hem herkende. Het was zo, niemand hield van hem. Hij was weer helemaal alleen.
Diepbedroefd liep hij door een groot winkelcentrum, langs de mensen zonder huis en de mensen zonder toekomst. Het was alsof zij alleen het verdriet in zijn hart zagen. Ze boden hem drank aan, of de vergetelheid op een zilverpapiertje.
Ontroerd nam hij hun gaven aan. Door het gordijn van zijn verdriet dacht hij zelfs zijn naam te horen. En het was zo, bij de informatiebalie van het winkelhart stond de toverfee te wachten als een moeder op haar verdwaalde kind. Ze nam hem bij de hand en gewillig liet hij zich naar zijn eigen huis leiden.
Ze keek hem aan met haar lieve glimlach en vroeg hem waarom hij de wonderbril niet op had. ‘Wil je niet gelukkig zijn?’
Hij schokschouderde. Hij wilde het uitleggen, maar was bang dat zijn woorden verkeerd waren, zijn zinnen als los zand aan elkaar zouden hangen en zweeg. Ze pakte zijn fotoalbum van vroeger en bladerde door zijn leven.
Ze keken naar zijn samengeknepen lippen om het beugeltje te verbergen. De klassefoto waarop hij scheel keek en tenslotte de foto’s waarop alleen maar een arm of been van hem was te zien.
‘Ja maar,’ zei hij, ‘vroeger vonden ze me stom door mijn bril, nu vinden ze me leuk door mijn bril. Niemand weet wie ik echt ben.’
De toverfee vertelde hem dat het leven zo groots en ingewikkeld was, dat niemand wist hoe alles werkelijk in elkaar zat. ‘Je gelooft niet alleen de dingen die je ziet, je ziet ook alleen maar de dingen die je gelooft.’
Hij knikte en speelde twijfelend met de wonderbril. Er zijn geen problemen, er is slechts besluiteloosheid.
‘Snap je het?’ vroeg ze.
Hij dacht er even over na, en schudde zijn hoofd..
‘Ach, filosofie heeft nog nooit iemand gelukkig gemaakt,’ zei de toverfee en ze stak haar tong in zijn oor. Hij giechelde en ze zette hem de bril weer op. Het oog wil ook wel wat.
Toen zag hij dat ze de mooiste vrouw ter wereld was. Hij zette Tracks of my tears van Carmel op en mocht zelf haar witkanten ondergoed uitdoen. En ze vrijden nog heel erg lang. En gelukkig maar.

EINDE


Er was eens een studentenflat in Delft. Daar woonde mijn zus. Elk jaar gaven ze met de hele flat een feest, met een thema. In het jaar dat 'sprookjes' het thema was schreef ik dit sprookje, maakte er een boekje van in een oplage van 100 (denk Ik) en ruilde ze voor consumptiebonnen. Ik denk dat het in januari 1983 was.