Het Dopplereffect
In Zundert kon je tot ver in de jaren zeventig de Koude Oorlog hóren. De Starfighters die gestationeerd waren op luchtmachtbasis Gilze-Rijen voerden regelmatig nachtvluchten uit. De geluidsbarrière namen ze wekelijks. Elke zoveelste woensdag van de maand oefenden de NAVO-bondgenoten met scherpe munitie op de Kalmthoutse heide. Een donderslag bij heldere hemel, dat was voor mij meer dan een metafoor. Het gerommel van de afgevuurde granaten, niet alleen letterlijk kilometers en een landsgrens verwijderd, deed ruiten barsten en muren scheuren. Door deze overdaad aan martiale geluiden leefden de inwoners van Zundert, dat eerdere – maar voor ons kinderen even abstracte – oorlogen relatief ongeschonden was doorgekomen, met een morbide belangstelling voor rampspoed. We hadden een perfect oor gekregen voor elke nuance. Toen die ene vrijdagavond de Starfighters plotseling minuten lang met brullende nabranders duikvluchten boven het dorp maakten, wísten we dat er iets ging gebeuren. De volgende ochtend intimideerden dezelfde straaljagers met donderend geweld een groep Molukse terroristen een gekaapte trein uit. In Zundert werd in winkels en voortuintjes betekenisvol geknikt.
Ik denk dat de plaatselijke vrijwillige brandweer alleen maar een stil alarm invoerde om een eind te maken aan de krankzinnige carnavalsstoet van auto’s, brommers en fietsen die als halvegaren de brandweerwagens achterna reden — en die er soms nog als eerste waren ook.
En dan de ambulances… De weg die dwars door het dorp liep was in de achttiende eeuw in opdracht van Napoleon rechtgetrokken en verhard om Den Haag met Parijs te verbinden. Het was de meest voor de hand liggende route voor het internationale vrachtverkeer, tot 1971 tenminste. Een douanepost, wegrestaurants, hotels, transport- en expeditiebedrijven: het dorp kon niet leven zonder de weg. De gruwelijke ongelukken waarbij de zware trucks waren betrokken, waren een prijs die met tegenzin, maar gedwee, betaald werd. Het geloei van de sirenes werd voorafgegaan door geluiden die meestal minder apocalyptisch waren dan de net-echte-oorlog. Een dreun in de verte… piepende banden dichtbij… Het kon zo veel zijn. Tot in verte die schrille, door merg en been gaande sirene naderde. En vooral als de wind zó stond dat je hem al hoorde als hij bij het gehucht Stuivezand was, drie kilometer voor Zundert… Als mijn vader dan nog niet thuis was bevroor mijn moeder boven de soeppan. De slierten vermicelli hingen als pegels roerloos aan de opscheplepel. Niemand in het dorp durfde zijn eten door te slikken, de krant om te slaan, te praten, voor hij wist waar de ziekenauto naar toe ging. Het dorp? De grens? De polder? Maar vooral, hoe dichtbij zou hij komen: om wie zou het gaan? Zoals we het gevaar van de bliksem konden tellen (elke drie tellen een kilometer), zo konden we de bestemming van de ambulances schatten door te luisteren op welke toonhoogte de sirene zweeg. Drie kilometer lang een stijgende toonhoogte: ik wist al wat het Dopplereffect was voor ik er op school over hoorde.
Ik sta bekend om mijn goede geheugen, en ik laat het zo maar. Dat ik – als ik wil – bij elke gebeurtenis een datum kan noemen, bewijst niet meer dan dat ik dingen selectief onthoud. Geen datum, geen gebeurtenis.
Vorig jaar (5 augustus) kwam ik terug uit Barcelona. Ik had daar geprobeerd de eerste vrouw tegen wie ik zonder ironie gezegd had dat ik kinderen van haar wilde, te vergeten. Om redenen die ik nooit zal begrijpen liep ze bij me weg (3 juni). Vanaf eerste dag van mijn vakantie (23 juli) trok ik op met een Nieuw-Zeelandse conservatoriumstudente, een van de lifters die via de Internationale Liftcentrale met me meereden. Lou had een stem als Lorelei en elke nacht zong ze me met Keltische madrigalen in slaap. Om haar heen gebeurden de gekste dingen. Ze toonde me een Barcelona dat geen toerist ooit ziet. Tot ik het beu was op te trekken met Ieren, Australiërs en Duitsers die zo stoned waren dat er alleen nog gegiechel uitkwam. Tot ik er genoeg van had elke nacht op het strand te eindigen met een fles wijn. Leven als een bohémien maakt je nog geen bohémien.
Het gebeurde om een uur of acht in de ochtend, vlak voor Luxemburg. Mijn zintuigen stonden scherp door de Katovit, een cocktail van vitaminen en speed, die Lou voor me had gekocht bij een Spaanse apotheek. De aangename koelte van de zomernacht lag nog als een witte deken over de velden. In de flauwe bocht van de afslag stond een auto stil, de wild gebarende bestuurder ernaast. Ik zag het al. Stapvoets volgde ik langs een gebutste vangrail het aanzwellende Hans-en-Grietjespoor van moeren, slangetjes, radertjes, glas, en kledingstukken. Na deze grafische voorstelling van de weg naar de dood vormden het wrak en het verminkte lichaam ernaast bijna een anti-climax.
Ik keek in mijn achteruitkijkspiegel en zag mensen over de vangrail klauteren. Alarmlichten knipperden met wisselende intervallen. Ik trapte het gaspedaal diep in. Bij het eerste benzinestation stopte ik om mijn tank vol goedkope Luxemburgse benzine te gooien. Door mijn trillende handen vermorste ik zoveel dat ik mijn auto bij het aanpalende wegrestaurant zette voor een kop koffie. Mijn tanden tikten tegen het kopje. Nog meer zwaailichten en sirenes kwamen voorbij. Ik had niets meer kunnen doen.
Ook toen de Napoleonsweg door Zundert zijn E-nummer verloor en provinciaal werd, hielden de gruwelijke ongelukken op de weg niet op. Het vrachtverkeer bleek heilzaam op de gemiddelde snelheid gewerkt te hebben. De weg was nauwelijk bevrijd van traag optrekkende combinaties, of de ene auto na de andere vloog uit de bocht. Doorrijders schepten voetgangers op het zebrapad, jongelui verkoolden in aangereden Kevers en zatlappen reden zich dood op bomen en voorgesorteerde taxi’s.
Ik vond laatst het krantenstukje weer, gek genoeg op de dag af tien jaar na het ongeluk: op 25 juli 1984 reed iemand zich recht voor mijn ogen dood. Ik had net twee dagen mijn rijbewijs. Hij reed stukken harder dan de 80 kilometer waar ik me in mijn vaders auto keurig aan hield. Ik snap nog niet waarom hij de voorgesorteerde vrachtwagen niet zag. Er waren geen remsporen. Ik weet niet eens meer weet hoe hard de klap was en hoe er onderdelen van de Volvo en de massieve DAF-truck afspatten. Het is overschreven door jaren van veiligheidsgordel-spotjes waarin zwart-geel geblokte auto’s tegen beton rijden. Ik weet alleen nog dat ik dacht: ‘wat zonde’.
Het was een gave Amazon uit 1966, nog in de originele anthracietgrijze lak. Ik kende hem goed. De vorige eigenaar woonde vroeger bij mijn ouders in de straat. Tot zijn overlijden poetste de man wekelijks de auto. En elke maand zette hij hem in de was. Als ik iemand da ouw dieng, zoals de Amazon in Zundert bekend stond, niet gunde was het zijn nieuwe eigenaar.
Moest ik me verantwoordelijk voelen? Hij was mij immers aan het inhalen. Ik probeerde schuldgevoel op te wekken, maar voelde alleen opluchting. Ik zette de alarmlichten aan en parkeerde in de berm. De chauffeur van de truck keek versuft door zijn gebarsten voorruit; voor de bestuurder van de Volvo was er duidelijk niet veel hoop meer. Het was dan ook geen overdreven behulpzaamheid of nieuwsgierigheid die me naar het wrak trok. Ik wilde alleen maar weten of mijn opluchting terecht was.
De dood stinkt. Bitter en weezoet is hij. De bokkige geur van mannenpis vermengd met die van benzine… Nat asfalt… Darmen… Een versplinterde grille… De kattebakgeur van transmissie-olie… Gebroken glas… Het hoofd van de bestuurder hing in een onmogelijke hoek achterover. Het ongeschonden gezicht had nog steeds de Elvis-achtige molligheid van vroeger.
Het was Bill Raaijmakers, zoals ik al dacht.
De klap was zo hard geweest dat de motor losgerukt was, en naar binnen geschoven. De voorkant van zijn lichaam was door de massa metaal afgestroopt en in een slordige bloederige rol naar boven geduwd. Weggezakt tussen stuur en motorblok, zonder steun van de opengereten huid, hingen zijn ingewanden. Zachte tinkel- en sisgeluiden stierven langzaam weg.
Nog even en de natriumlampen zouden aanspringen. In een van de eiken die de bouwmeesters van Napoleon ooit hadden geplant zong een nachtegaal. Of misschien was het een merel. Ik herinner me alles wat indruk maakt altijd in slow-motion. Achteraf geeft dat dan het idee dat de tijd stilstond. Misschien speelt dat zich alleen in mij af, want dat het doodstil was op de anders zo drukke weg had niets te maken met solidariteit met het verse lijk, of eerbied. Er kon gewoon niemand meer langs.
Café Kampong was enkele tientallen meters verder. De vaste klanten moeten elkaar hebben aangekeken toen de ruiten in de sponningen rammelden. Hoe stil moet de stilte daarna geweest zijn, voor ze opsprongen en naar buiten holden. Naast me rook ik een zure bieradem. Het was de Spreeuw, zoals hij in Zundert bekend stond, zijn glas bier nog in zijn hand.
‘Istie dood?’ vroeg hij en stak het ongeschoren drankhoofd met het couperose-kantwerk over neus en wangen in het wrak. Hij richtte zich weer op. ‘Jok. Kiekdood.’ Zijn glas trilde in zijn handen. Ik maak me geen illusies: op momenten als dit is er niets anders mogelijk dan een banaliteit. De mooie woorden komen later pas. Toch was het niet deze stompzinnige opmerking die me een lachbui bezorgde. De Spreeuw schudde zijn hoofd en liep terug naar de aangeslibde groep mensen en begon met een vrije hand te gebaren alsof hij het zelf had zien gebeuren.
Een ongeluk op deze weg was als het trekken van een bizar lot, een noodlot. Degenen aan wie het deze keer voorbij was gegaan, lachten de nerveuze lach van de opluchting. Anders dan de aanval van de slappe lach die mij snakkend naar adem over het wrak deed buigen, telkens wanneer ik zag hoe het lichaam was toegetakeld. De normale morbide belangstelling van omstanders bleef uit. Ik was met mijn gierende uithalen onbedoeld een angstaanjagende poortwachter geworden die iedereen op een afstand hield, tot in de verte de sirenes hoorbaar werden.
We waren allemaal bang voor de familie Raaijmakers. Zelfs de dochters hadden die brede behaarde onderarmen die er om vragen getatoeëerd te worden, zoals bij Bill uiteraard later het geval was. De zes kinderen Raaijmakers aardden allemaal naar hun vader, eigenaar van de enige supermarkt van het dorp. Het was een man die niet gewend was te vragen, maar die deed. Een man die geen tegenspraak duldde, maar sloeg. Hoe het er op de Mariaschool aan toe ging wist ik alleen van verhalen. Op de jongensschool bewogen Robert, Bill en Patrick zich over het schoolplein met een autoriteit die aangeboren leek — maar die er met de paplepel in geslágen was. Meningsverschillen werden buiten de schoolpoort geslecht: goed leren konden ze niet, maar stom waren ze ook niet. Er wordt vaak gezegd dat zulke mensen alleen respect kunnen opbrengen voor degene die met geheven hoofd de confrontatie aangaat. Alleen waren de drie jongens Raaijmakers niet als koppige hengsten die gebroken kunnen worden en die daarna gedwee luisteren naar hun meerdere. Daarvoor hadden ze van thuis te weinig sociale vaardigheden meegekregen. Van Robert, de oudste, ging het gerucht dat hij het schoolhoofd, met de angstaanjagende bijnaam de bosaap, ooit in elkaar had geslagen. Door de manier waarop die van Raaijmakers hun gang konden gaan, móest het wel waar zijn.
Ik geloof dat mensen zo simpel in elkaar zitten dat ze zich gaan gedragen naar de verwachtingen die anderen van hen hebben. Lang voordat hij de Amazon kocht, maakte Bill het dorp onveilig met een opgevoerde brommer. Later reed hij op een motor met opengeboorde knalpijp. Hij draaide af en toe de bak in voor joy-riding, diefstal en openlijke geweldpleging. Langzaam groeide het verhaal aan op zijn armen, in sierlijke of zelfaangebrachte tatoeages. (Motorrijden heeft voor mij altijd iets twijfelachtigs gehouden, ook al hangt daar nu die hele trendy mediasfeer van vrijheid en non-conformisme omheen. Alsof eigenzinnigheid niet in je hoofd zit, maar afhangt van een motor, een tattoo of een aanstellerige piercing.)
Het was Bill, hier gereduceerd tot stoffelijk resten, wiens ongenoegen ik op mijn hals haalde. Het had ieder ander van de drie kunnen zijn, want hoe chaotisch het er ook bij hen thuis aan toe ging, naar buiten vormden ze een front. Als ik mijn vrienden moest geloven had ik het nog goed getroffen. Maar voor mij was het de keuze tussen opgehangen, neergestoken of doodgeschoten te worden. In zo’n geval komt er toch meer kijken dan een persoonlijke voorkeur.
Het gebeurde toen ik al vertrokken was naar de middelbare school in Etten-Leur, een groeikern vlakbij Zundert. Ik was in een vast clubje gegroeid dat net het uitgaan had ontdekt. De jongens waren stuk voor stuk ouder dan ik. Door mijn bril was ik de perfesser. Omdat ik geïntroduceerd was door de gangmaker, mijn overbuurjongen Willem-Jan, werd ik geaccepteerd. Alle cafés waren even spannend, vooral als ze in een dorp ergens in de wijde omgeving lagen, ver van ons ouderlijk huis. Terwijl we Sport, Congo, Plantage en Fortuin afstroopten, veranderde de pikorde van weekend tot weekend. Ik had daar niet veel last van. Omdat ik jonger was en bij Willem-Jan in de straat woonde, werd ik met rust gelaten. Ik vond het prima, want al dat machtsgedoe boeide me niet. Ik was al blij dat ik meemocht.
Achtmaal was in die tijd heel populair. Achtmaal, waar iedereen ouder, groter en vooral lelijker was. Omdat we nooit stront kregen dacht ik in mijn vijftienjarige overmoed dat we onoverwinnelijk waren. Twee of drie flesjes bier in Café Sport waren voldoende mij dingen te laten doen waar ik eerder nooit aan gedacht zouden hebben.
Hoe balsturig en ongezeglijk we ook leken, we kwamen zelden na een uur thuis. De lange zomeravonden in de jaren zeventig eindigden dan ook altijd tegen twaalven in de friettent. En op één zo’n avond waren de twee meisjes aan het tafeltje naast me opeens geen verschijnsel meer dat mij niet aanging. Ze waren een jaar ouder, een jaar dat op die leeftijd dubbel telt — in het geval van vrouwen misschien zelfs vier maal. Voor de rest wist wat er aan de hand was, stond ik buiten met een van hen te vrijen. Lisette heette ze en haar adem rook naar friet. In haar rosse krullen hing de lucht van sigaretterook en haar kleren waren hard van het gemorste bier. De enige reden waarom ik alleen aan haar borsten voelde en niet verder kwam, was omdat haar vader haar kwam ophalen. Zo gaan die dingen en normaal was dit de heldendaad gebleven waar de heel de weg naar huis over gepraat was. Dingen zijn veel simpeler als je opgroeit, niet omdat ze simpeler zijn, maar omdat je nu eenmaal niet nadenkt over de consequenties.
De woensdagmiddagen waren gereserveerd voor het zwembad — ook zo’n plek waar bepaald werd wie in het dorp vóór zijn achttiende moest trouwen. Lisette was me niet eerder opgevallen, maar nu kon ik niet aan haar ontkomen. Ze greep me van achteren vast en ik gooide een paar keer een bal tegen haar hoofd. Maar toen we elkaar onder water eenmaal aanraakten op plaatsen die niet eerder aangeraakt waren, leek het ineens niet meer zo belangrijk. Misschien was het dat haar vormen te duidelijk in de natte bikini afgetekend stonden. Misschien walgde ik opeens van haar besproete wittige huid en de slierten rood haar die nu plat op haar hoofd hingen. Zwijgend gingen we uit elkaar, maar ik had weer een verhaal te vertellen.
Mijn haar was nog nat toen een van mijn vrienden met meer haast dan gewoonlijk terugkwam van de snoepkiosk. Hij ging in het kringetje zitten en schraapte onhandig zijn keel.
‘Die rooie van jou, die Lisette…’ Er was iets in zijn stem dat iedereen geïnteresseerd deed opkijken ‘…Dat is de vriendin van Bill Raaijmakers.’
In België ontploften na elkaar twee granaten. Het gras in de zonneweide zat vol gele plekken. Ik werd misselijk. Ik kon nooit meer uitgaan. Ik had aan de vriendin van Bill Raaijmakers gezeten.
Er werd me amper de tijd gegund om na te denken. Met een ijsje in de ene en een cola in de andere hand kwam Wim Voermans aanlopen.
Hoe gevaarlijk de mannen van Raaijmakers ook waren, er zat een lijn in hun gedrag die te bevatten viel. Zo lang je hen niet voor de voeten liep had je weinig van ze te duchten. Hun reputatie maakte hen tamelijk eenzaam. Anders kan ik niet verklaren waarom Bill bevriend was met de volslagen onberekenbare Voermans, die ooit met een bijl het topje van diens linkerpink had afgehakt. Bill dacht dat hij niet zou slaan, Wim dat hij zijn hand wel zou wegtrekken. Nog niet zo lang geleden had Voermans iemand een dwarslaesie geschopt, alleen omdat diens gezicht hem niet aanstond. Toch zat hij in Breda op het gymnasium en haalde hoge cijfers. Het was een pezige magere vent die behalve een vlassnorretje al het begin van borsthaar had.
‘Zo jongens. Fijn aan het spelen?’
De sarcastische sneer liet iedereen zwijgend.
‘Wie van jullie is de professor?’
Onmiddellijk keek iedereen me aan. Zacht suizend trok een zilveren stip een witte streep over de blauwe lucht. De naam van een verloren moeder schalde over de zonneweide. In het pierenbadje begon een kind te huilen. Voermans likte aan zijn ijsje.
‘Meekomen. Bill Raaijmakers moet jou iets zeggen.’
‘Kan hij dat niet hier komen doen?’
Hij zuchtte. ‘Zal ik je hier in elkaar schoppen of daar?’
We waren met zeven man. Ik keek Willem-Jan aan. Hij zei niets. Niemand liep op een afstand met ons mee.
Het is typisch dat de herrieschoppers in Brabant altijd van die compacte, zwaarbehaarde donkere types zijn. Er is een theorie dat het allemaal nazaten zijn van de bende ongeregeld (huurlingen, hoeren, beurzensnijders en bezembinders) die met Alva in de zestiende eeuw naar Nederland is gekomen. Ook Bill Raaijmakers moest dat Iberische bloed hebben. Hij greep achter zich en nam een slok uit een – stiekem – blikje bier en liet een langgerekte boer. Hij zweeg en keek langs me heen. Elke vezel in mijn lichaam schreeuwde (lopen! lopen!) maar ik wist dat ik voor hem niet kon weglopen. En opeens wìst ik dat hij niet zomaar langs me heen keek. Dat het niet alleen de warmte was die het zweet langs zijn voorhoofd deed stromen.
Soms doe je stomtoevallig precies het juiste. Dat wordt dan intuïtie genoemd, maar ik geloof dat, als je te maken hebt met zo’n onberekenbare type, geluk het enig juiste woord is. In plaats van zwijgend achter Wim Voermans aan te lopen (hij neuriede een treiterend deuntje) vroeg ik naar zijn school. Toen hij hoorde dat ik besloten had Latijn te laten vallen, raakte hij geïnteresseerd. Misschien was ik de eerste die belangstelling voor zijn vakkenpakket toonde. Misschien was het alleen maar zijn onvatbare persoonlijkheid. Wat het ook was, hij besloot dat ik o.k. was. Ik keek achterom en zag meters van ons af Wim ontspannen achterover zitten. (Dat maakte het er alleen maar ongemakkelijker op: het idee een vriend van hem te moeten zijn…) De rug die ons nadrukkelijk werd toegekeerd betekende dat ik onder bescherming uit een vreemde hoek stond. Er werd een machtsspelletje gespeeld en toen Bill me uiteindelijk aankeek zag hij dat ik de situatie begreep. Hij rochelde en spoog de fluim waarschuwend naast mijn voeten.
‘Gij bleft vurtaan van mun vrouw af,’ zei hij. Het had weinig zin hem duidelijk te maken dat zij daar ook iets over te zeggen had. Misschien was het alleen om zichzelf een houding te geven, maar ik wist dat hij meende wat hij zei: ‘Assik oe de vollegende kir tiggekom, dan staamp ik oew balle in oew keel.’
Ze zijn op commerciële tv-stations nooit zo zorgvuldig met het onderbreken van een film voor reclame. Midden in de handeling is ze er dan, dat meisje in de branding. En wanneer het dan verder gaat is het net alsof de film gewoon is doorgelopen, terwijl de dolfijnen, omringd door luchtbellen, door het water gleden. Je bent opeens zes, zeven minuten kwijt en verdwaasd kijk je om je heen omdat de personages waarmee je vertrouwd was geraakt plots vreemdelingen zijn geworden, buitenstaanders die iets delen waar jij nu buiten staat.
Mijn ‘vrienden’ zaten allemaal nog waar ik ze had achtergelaten, de kring slechts onderbroken door een lege badhandoek. De mijne. Zakdoek leggen, niemand zeggen… Dat was wat Wim Voermans geneuried had. Ik voelde hoe er gespeculeerd was hoe ik toegetakeld zou worden. Bij sommigen glom het leedvermaak nog in hun ogen. Ik had misschien meer karakter getoond door mijn spullen te pakken en te vertrekken. Maar dat gunde ik ze niet. Ik ging liggen en weigerde antwoord te geven op de opgewonden gestelde vragen. Het deed mijn ster rijzen. Even, in ieder geval, want het enige wat ik zag was een groep mensen, allemaal even blij dat zij het nu niet geweest waren.
Daarna was het nooit meer hetzelfde. Mijn sociale leven verplaatste zich naar Etten-Leur en nog later naar Utrecht. Bill nam later de supermarkt van zijn vader over, maakte een ander dan Lisette zwanger – moest trouwen – en werd een soort gerespecteerd burger met een bierbuik. Ook al sleep dit de scherpste kantjes van zijn dreigement, ik zou voor de rest van zijn leven bang voor hem blijven.
En hier lag hij nu. Het was zoiets als met een onbesproken echtgenote van wie opeens foto’s opduiken uit een tijd ‘dat ze het geld nodig had’. Bill was het symbool van een periode die ik liever zou vergeten. Nu pas was ik volkomen vrij. Ik veegde de tranen uit mijn ogen en onderdrukte een laatste lachrilling. Ze moesten het maar van me aannemen, niemand hoefde te zien hoe naast zijn pik zijn ballen opgestroopt waren en onder zijn keel hingen. Ik trok mijn jasje uit en legde het over Bill.
‘Je hebt het verdiend,’ zei ik.
Uit Breda kwam de ziekenwagen aan. Langzaam veranderde de toon van de sirene en voor het eerst kwam hij vlak naast me tot zwijgen. Secondenlang hoorde ik hem in zijn juiste toonhoogte voor het stil werd.
Wist ik weer, nu een flard voorbijkwam, daar langs dat wegrestaurant in Luxemburg.
Zakdoek leggen, niemand zeggen… Ik was voor altijd vijftien gebleven, in een kring mensen, op een zonneweide, in een dorp aan de Belgische grens, toen dat kille weten over me heen kwam. Nooit-of-te-nimmer zou iemand je ooit te hulp schieten. Hoe groot de overmacht ook was om je te ontzetten, niemand zou je willen of kunnen helpen. Niemand zou iets voor je doen.
Herinneringen hebben geluid, kleur, geur, smaak en zelfs een temperatuur. Maar daarnaast hebben ze ook een toonhoogte. Het maakt niet uit waardoor die herinneringen worden opgeroepen: terwijl ze opborrelen, terwijl ze dichterbij komen, krijgen ze een steeds grotere intensiteit. Pas als ze passeren hebben ze even hun ware toon. Ik noem dat het Dopplereffect van de herinneringen en ik denk dat ik nu weet waarom ik deed wat ik deed en op 25 juli 1994 probeerde mijn polsen door te snijden.