In Zundert kon je tot ver in de jaren zeventig de Koude
Oorlog hóren. De Starfighters die gestationeerd waren op
luchtmachtbasis Gilze-Rijen voerden regelmatig
nachtvluchten uit. De geluidsbarrière namen ze wekelijks.
Elke zoveelste woensdag van de maand oefenden de
NAVO-bondgenoten met scherpe munitie op de Kalmthoutse
heide. Een donderslag bij heldere hemel, dat was voor mij
meer dan een metafoor. Het gerommel van de afgevuurde
granaten, niet alleen letterlijk kilometers en een
landsgrens verwijderd, deed ruiten barsten en muren
scheuren. Door deze overdaad aan martiale geluiden leefden
de inwoners van Zundert, dat eerdere – maar voor ons
kinderen even abstracte – oorlogen relatief
ongeschonden was doorgekomen, met een morbide
belangstelling voor rampspoed. We hadden een perfect oor
gekregen voor elke nuance. Toen die ene vrijdagavond de
Starfighters plotseling minuten lang met brullende
nabranders duikvluchten boven het dorp maakten, wísten we
dat er iets ging gebeuren. De volgende ochtend
intimideerden dezelfde straaljagers met donderend geweld
een groep Molukse terroristen een gekaapte trein uit. In
Zundert werd in winkels en voortuintjes betekenisvol
geknikt.
Ik denk dat de
plaatselijke vrijwillige brandweer alleen maar een stil
alarm invoerde om een eind te maken aan de krankzinnige
carnavalsstoet van auto’s, brommers en fietsen die
als halvegaren de brandweerwagens achterna reden — en
die er soms nog als eerste waren ook.
En dan de
ambulances… De weg die dwars door het dorp liep was
in de achttiende eeuw in opdracht van Napoleon
rechtgetrokken en verhard om Den Haag met Parijs te
verbinden. Het was de meest voor de hand liggende route
voor het internationale vrachtverkeer, tot 1971 tenminste.
Een douanepost, wegrestaurants, hotels, transport- en
expeditiebedrijven: het dorp kon niet leven zonder de weg.
De gruwelijke ongelukken waarbij de zware trucks waren
betrokken, waren een prijs die met tegenzin, maar gedwee,
betaald werd. Het geloei van de sirenes werd voorafgegaan
door geluiden die meestal minder apocalyptisch waren dan de
net-echte-oorlog. Een dreun in de verte… piepende
banden dichtbij… Het kon zo veel zijn. Tot in verte
die schrille, door merg en been gaande sirene naderde. En
vooral als de wind zó stond dat je hem al hoorde als hij
bij het gehucht Stuivezand was, drie kilometer voor
Zundert… Als mijn vader dan nog niet thuis was
bevroor mijn moeder boven de soeppan. De slierten
vermicelli hingen als pegels roerloos aan de opscheplepel.
Niemand in het dorp durfde zijn eten door te slikken, de
krant om te slaan, te praten, voor hij wist waar de
ziekenauto naar toe ging. Het dorp? De grens? De polder?
Maar vooral, hoe dichtbij zou hij komen: om wie zou het
gaan? Zoals we het gevaar van de bliksem konden tellen
(elke drie tellen een kilometer), zo konden we de
bestemming van de ambulances schatten door te luisteren op
welke toonhoogte de sirene zweeg. Drie kilometer lang een
stijgende toonhoogte: ik wist al wat het Dopplereffect was
voor ik er op school over hoorde.
Ik sta bekend om mijn goede geheugen, en ik laat het zo
maar. Dat ik – als ik wil – bij elke
gebeurtenis een datum kan noemen, bewijst niet meer dan dat
ik dingen selectief onthoud. Geen datum, geen
gebeurtenis.
Vorig jaar (5
augustus) kwam ik terug uit Barcelona. Ik had daar
geprobeerd de eerste vrouw tegen wie ik zonder ironie
gezegd had dat ik kinderen van haar wilde, te vergeten. Om
redenen die ik nooit zal begrijpen liep ze bij me weg (3
juni). Vanaf eerste dag van mijn vakantie (23 juli) trok ik
op met een Nieuw-Zeelandse conservatoriumstudente, een van
de lifters die via de Internationale Liftcentrale met me
meereden. Lou had een stem als Lorelei en elke nacht zong
ze me met Keltische madrigalen in slaap. Om haar heen
gebeurden de gekste dingen. Ze toonde me een Barcelona dat
geen toerist ooit ziet. Tot ik het beu was op te trekken
met Ieren, Australiërs en Duitsers die zo stoned waren dat
er alleen nog gegiechel uitkwam. Tot ik er genoeg van had
elke nacht op het strand te eindigen met een fles wijn.
Leven als een bohémien maakt je nog geen bohémien.
Het gebeurde om een
uur of acht in de ochtend, vlak voor Luxemburg. Mijn
zintuigen stonden scherp door de Katovit, een cocktail van
vitaminen en speed, die Lou voor me had gekocht bij een
Spaanse apotheek. De aangename koelte van de zomernacht lag
nog als een witte deken over de velden. In de flauwe bocht
van de afslag stond een auto stil, de wild gebarende
bestuurder ernaast. Ik zag het al. Stapvoets volgde ik
langs een gebutste vangrail het aanzwellende
Hans-en-Grietjespoor van moeren, slangetjes, radertjes,
glas, en kledingstukken. Na deze grafische voorstelling van
de weg naar de dood vormden het wrak en het verminkte
lichaam ernaast bijna een anti-climax.
Ik keek in mijn
achteruitkijkspiegel en zag mensen over de vangrail
klauteren. Alarmlichten knipperden met wisselende
intervallen. Ik trapte het gaspedaal diep in. Bij het
eerste benzinestation stopte ik om mijn tank vol goedkope
Luxemburgse benzine te gooien. Door mijn trillende handen
vermorste ik zoveel dat ik mijn auto bij het aanpalende
wegrestaurant zette voor een kop koffie. Mijn tanden tikten
tegen het kopje. Nog meer zwaailichten en sirenes kwamen
voorbij. Ik had niets meer kunnen doen.
Ook toen de Napoleonsweg door Zundert zijn E-nummer verloor
en provinciaal werd, hielden de gruwelijke ongelukken op de
weg niet op. Het vrachtverkeer bleek heilzaam op de
gemiddelde snelheid gewerkt te hebben. De weg was nauwelijk
bevrijd van traag optrekkende combinaties, of de ene auto
na de andere vloog uit de bocht. Doorrijders schepten
voetgangers op het zebrapad, jongelui verkoolden in
aangereden Kevers en zatlappen reden zich dood op bomen en
voorgesorteerde taxi’s.
Ik vond laatst het
krantenstukje weer, gek genoeg op de dag af tien jaar na
het ongeluk: op 25 juli 1984 reed iemand zich recht voor
mijn ogen dood. Ik had net twee dagen mijn rijbewijs. Hij
reed stukken harder dan de 80 kilometer waar ik me in mijn
vaders auto keurig aan hield. Ik snap nog niet waarom hij
de voorgesorteerde vrachtwagen niet zag. Er waren geen
remsporen. Ik weet niet eens meer weet hoe hard de klap was
en hoe er onderdelen van de Volvo en de massieve DAF-truck
afspatten. Het is overschreven door jaren van
veiligheidsgordel-spotjes waarin zwart-geel geblokte
auto’s tegen beton rijden. Ik weet alleen nog dat ik
dacht: ‘wat zonde’.
Het was een gave
Amazon uit 1966, nog in de originele anthracietgrijze lak.
Ik kende hem goed. De vorige eigenaar woonde vroeger bij
mijn ouders in de straat. Tot zijn overlijden poetste de
man wekelijks de auto. En elke maand zette hij hem in de
was. Als ik iemand da ouw
dieng,
zoals de Amazon in Zundert bekend stond, niet gunde was het
zijn nieuwe eigenaar.
Moest ik me
verantwoordelijk voelen? Hij was mij immers aan het
inhalen. Ik probeerde schuldgevoel op te wekken, maar
voelde alleen opluchting. Ik zette de alarmlichten aan en
parkeerde in de berm. De chauffeur van de truck keek
versuft door zijn gebarsten voorruit; voor de bestuurder
van de Volvo was er duidelijk niet veel hoop meer. Het was
dan ook geen overdreven behulpzaamheid of nieuwsgierigheid
die me naar het wrak trok. Ik wilde alleen maar weten of
mijn opluchting terecht was.
De dood stinkt. Bitter en weezoet is hij. De bokkige geur
van mannenpis vermengd met die van benzine… Nat
asfalt… Darmen… Een versplinterde
grille… De kattebakgeur van transmissie-olie…
Gebroken glas… Het hoofd van de bestuurder hing in
een onmogelijke hoek achterover. Het ongeschonden gezicht
had nog steeds de Elvis-achtige molligheid van
vroeger.
Het was Bill
Raaijmakers, zoals ik al dacht.
De klap was zo hard
geweest dat de motor losgerukt was, en naar binnen
geschoven. De voorkant van zijn lichaam was door de massa
metaal afgestroopt en in een slordige bloederige rol naar
boven geduwd. Weggezakt tussen stuur en motorblok, zonder
steun van de opengereten huid, hingen zijn ingewanden.
Zachte tinkel- en sisgeluiden stierven langzaam weg.
Nog even en de
natriumlampen zouden aanspringen. In een van de eiken die
de bouwmeesters van Napoleon ooit hadden geplant zong een
nachtegaal. Of misschien was het een merel. Ik herinner me
alles wat indruk maakt altijd in slow-motion. Achteraf
geeft dat dan het idee dat de tijd stilstond. Misschien
speelt dat zich alleen in mij af, want dat het doodstil was
op de anders zo drukke weg had niets te maken met
solidariteit met het verse lijk, of eerbied. Er kon gewoon
niemand meer langs.
Café Kampong was
enkele tientallen meters verder. De vaste klanten moeten
elkaar hebben aangekeken toen de ruiten in de sponningen
rammelden. Hoe stil moet de stilte daarna geweest zijn,
voor ze opsprongen en naar buiten holden. Naast me rook ik
een zure bieradem. Het was de Spreeuw, zoals hij in Zundert
bekend stond, zijn glas bier nog in zijn hand.
‘Istie
dood?’ vroeg hij en stak het ongeschoren drankhoofd
met het couperose-kantwerk over neus en wangen in het wrak.
Hij richtte zich weer op. ‘Jok. Kiekdood.’ Zijn
glas trilde in zijn handen. Ik maak me geen illusies: op
momenten als dit is er niets anders mogelijk dan een
banaliteit. De mooie woorden komen later pas. Toch was het
niet deze stompzinnige opmerking die me een lachbui
bezorgde. De Spreeuw schudde zijn hoofd en liep terug naar
de aangeslibde groep mensen en begon met een vrije hand te
gebaren alsof hij het zelf had zien gebeuren.
Een ongeluk op deze
weg was als het trekken van een bizar lot, een noodlot.
Degenen aan wie het deze keer voorbij was gegaan, lachten
de nerveuze lach van de opluchting. Anders dan de aanval
van de slappe lach die mij snakkend naar adem over het wrak
deed buigen, telkens wanneer ik zag hoe het lichaam was
toegetakeld. De normale morbide belangstelling van
omstanders bleef uit. Ik was met mijn gierende uithalen
onbedoeld een angstaanjagende poortwachter geworden die
iedereen op een afstand hield, tot in de verte de sirenes
hoorbaar werden.
We waren allemaal bang voor de familie Raaijmakers. Zelfs
de dochters hadden die brede behaarde onderarmen die er om
vragen getatoeëerd te worden, zoals bij Bill uiteraard
later het geval was. De zes kinderen Raaijmakers aardden
allemaal naar hun vader, eigenaar van de enige supermarkt
van het dorp. Het was een man die niet gewend was te
vragen, maar die deed. Een man die geen tegenspraak duldde,
maar sloeg. Hoe het er op de Mariaschool aan toe ging wist
ik alleen van verhalen. Op de jongensschool bewogen Robert,
Bill en Patrick zich over het schoolplein met een
autoriteit die aangeboren leek — maar die er met de
paplepel in geslágen was. Meningsverschillen werden buiten
de schoolpoort geslecht: goed leren konden ze niet, maar
stom waren ze ook niet. Er wordt vaak gezegd dat zulke
mensen alleen respect kunnen opbrengen voor degene die met
geheven hoofd de confrontatie aangaat. Alleen waren de drie
jongens Raaijmakers niet als koppige hengsten die gebroken
kunnen worden en die daarna gedwee luisteren naar hun
meerdere. Daarvoor hadden ze van thuis te weinig sociale
vaardigheden meegekregen. Van Robert, de oudste, ging het
gerucht dat hij het schoolhoofd, met de angstaanjagende
bijnaam de bosaap, ooit in elkaar had geslagen. Door de
manier waarop die van Raaijmakers hun gang konden gaan,
móest het wel waar zijn.
Ik geloof dat
mensen zo simpel in elkaar zitten dat ze zich gaan gedragen
naar de verwachtingen die anderen van hen hebben. Lang
voordat hij de Amazon kocht, maakte Bill het dorp onveilig
met een opgevoerde brommer. Later reed hij op een motor met
opengeboorde knalpijp. Hij draaide af en toe de bak in voor
joy-riding, diefstal en openlijke geweldpleging. Langzaam
groeide het verhaal aan op zijn armen, in sierlijke of
zelfaangebrachte tatoeages. (Motorrijden heeft voor mij
altijd iets twijfelachtigs gehouden, ook al hangt daar nu
die hele trendy mediasfeer van vrijheid en non-conformisme
omheen. Alsof eigenzinnigheid niet in je hoofd zit, maar
afhangt van een motor, een tattoo of een aanstellerige
piercing.)
Het was Bill, hier gereduceerd tot stoffelijk resten, wiens
ongenoegen ik op mijn hals haalde. Het had ieder ander van
de drie kunnen zijn, want hoe chaotisch het er ook bij hen
thuis aan toe ging, naar buiten vormden ze een front. Als
ik mijn vrienden moest geloven had ik het nog goed
getroffen. Maar voor mij was het de keuze tussen
opgehangen, neergestoken of doodgeschoten te worden. In
zo’n geval komt er toch meer kijken dan een
persoonlijke voorkeur.
Het gebeurde toen
ik al vertrokken was naar de middelbare school in
Etten-Leur, een groeikern vlakbij Zundert. Ik was in een
vast clubje gegroeid dat net het uitgaan had ontdekt. De
jongens waren stuk voor stuk ouder dan ik. Door mijn bril
was ik de
perfesser. Omdat ik geïntroduceerd was
door de gangmaker, mijn overbuurjongen Willem-Jan, werd ik
geaccepteerd. Alle cafés waren even spannend, vooral als ze
in een dorp ergens in de wijde omgeving lagen, ver van ons
ouderlijk huis. Terwijl we Sport, Congo, Plantage en
Fortuin afstroopten, veranderde de pikorde van weekend tot
weekend. Ik had daar niet veel last van. Omdat ik jonger
was en bij Willem-Jan in de straat woonde, werd ik met rust
gelaten. Ik vond het prima, want al dat machtsgedoe boeide
me niet. Ik was al blij dat ik meemocht.
Achtmaal was in die
tijd heel populair. Achtmaal, waar iedereen ouder, groter
en vooral lelijker was. Omdat we nooit stront kregen dacht
ik in mijn vijftienjarige overmoed dat we onoverwinnelijk
waren. Twee of drie flesjes bier in Café Sport waren
voldoende mij dingen te laten doen waar ik eerder nooit aan
gedacht zouden hebben.
Hoe balsturig en ongezeglijk we ook leken, we kwamen zelden
na een uur thuis. De lange zomeravonden in de jaren
zeventig eindigden dan ook altijd tegen twaalven in de
friettent. En op één zo’n avond waren de twee meisjes
aan het tafeltje naast me opeens geen verschijnsel meer dat
mij niet aanging. Ze waren een jaar ouder, een jaar dat op
die leeftijd dubbel telt — in het geval van vrouwen
misschien zelfs vier maal. Voor de rest wist wat er aan de
hand was, stond ik buiten met een van hen te vrijen.
Lisette heette ze en haar adem rook naar friet. In haar
rosse krullen hing de lucht van sigaretterook en haar
kleren waren hard van het gemorste bier. De enige reden
waarom ik alleen aan haar borsten voelde en niet verder
kwam, was omdat haar vader haar kwam ophalen. Zo gaan die
dingen en normaal was dit de heldendaad gebleven waar de
heel de weg naar huis over gepraat was. Dingen zijn veel
simpeler als je opgroeit, niet omdat ze simpeler zijn, maar
omdat je nu eenmaal niet nadenkt over de consequenties.
De woensdagmiddagen waren gereserveerd voor het zwembad
— ook zo’n plek waar bepaald werd wie in het
dorp vóór zijn achttiende moest trouwen. Lisette was me
niet eerder opgevallen, maar nu kon ik niet aan haar
ontkomen. Ze greep me van achteren vast en ik gooide een
paar keer een bal tegen haar hoofd. Maar toen we elkaar
onder water eenmaal aanraakten op plaatsen die niet eerder
aangeraakt waren, leek het ineens niet meer zo belangrijk.
Misschien was het dat haar vormen te duidelijk in de natte
bikini afgetekend stonden. Misschien walgde ik opeens van
haar besproete wittige huid en de slierten rood haar die nu
plat op haar hoofd hingen. Zwijgend gingen we uit elkaar,
maar ik had weer een verhaal te vertellen.
Mijn haar was nog
nat toen een van mijn vrienden met meer haast dan
gewoonlijk terugkwam van de snoepkiosk. Hij ging in het
kringetje zitten en schraapte onhandig zijn keel.
‘Die rooie
van jou, die Lisette…’ Er was iets in zijn
stem dat iedereen geïnteresseerd deed opkijken
‘…Dat is de vriendin van Bill
Raaijmakers.’
In België
ontploften na elkaar twee granaten. Het gras in de
zonneweide zat vol gele plekken. Ik werd misselijk. Ik kon
nooit meer uitgaan. Ik had aan de vriendin van Bill
Raaijmakers gezeten.
Er werd me amper de
tijd gegund om na te denken. Met een ijsje in de ene en een
cola in de andere hand kwam Wim Voermans aanlopen.
Hoe gevaarlijk de
mannen van Raaijmakers ook waren, er zat een lijn in hun
gedrag die te bevatten viel. Zo lang je hen niet voor de
voeten liep had je weinig van ze te duchten. Hun reputatie
maakte hen tamelijk eenzaam. Anders kan ik niet verklaren
waarom Bill bevriend was met de volslagen onberekenbare
Voermans, die ooit met een bijl het topje van diens
linkerpink had afgehakt. Bill dacht dat hij niet zou slaan,
Wim dat hij zijn hand wel zou wegtrekken. Nog niet zo lang
geleden had Voermans iemand een dwarslaesie geschopt,
alleen omdat diens gezicht hem niet aanstond. Toch zat hij
in Breda op het gymnasium en haalde hoge cijfers. Het was
een pezige magere vent die behalve een vlassnorretje al het
begin van borsthaar had.
‘Zo jongens.
Fijn aan het spelen?’
De sarcastische
sneer liet iedereen zwijgend.
‘Wie van
jullie is de professor?’
Onmiddellijk keek
iedereen me aan. Zacht suizend trok een zilveren stip een
witte streep over de blauwe lucht. De naam van een verloren
moeder schalde over de zonneweide. In het pierenbadje begon
een kind te huilen. Voermans likte aan zijn ijsje.
‘Meekomen.
Bill Raaijmakers moet jou iets zeggen.’
‘Kan hij dat
niet hier komen doen?’
Hij zuchtte.
‘Zal ik je hier in elkaar schoppen of
daar?’
We waren met zeven
man. Ik keek Willem-Jan aan. Hij zei niets. Niemand liep op
een afstand met ons mee.
Het is typisch dat
de herrieschoppers in Brabant altijd van die compacte,
zwaarbehaarde donkere types zijn. Er is een theorie dat het
allemaal nazaten zijn van de bende ongeregeld (huurlingen,
hoeren, beurzensnijders en bezembinders) die met Alva in de
zestiende eeuw naar Nederland is gekomen. Ook Bill
Raaijmakers moest dat Iberische bloed hebben. Hij greep
achter zich en nam een slok uit een – stiekem –
blikje bier en liet een langgerekte boer. Hij zweeg en keek
langs me heen. Elke vezel in mijn lichaam schreeuwde
(lopen! lopen!) maar ik wist dat ik voor hem niet kon
weglopen. En opeens wìst ik dat hij niet zomaar langs me
heen keek. Dat het niet alleen de warmte was die het zweet
langs zijn voorhoofd deed stromen.
Soms doe je
stomtoevallig precies het juiste. Dat wordt dan intuïtie
genoemd, maar ik geloof dat, als je te maken hebt met
zo’n onberekenbare type, geluk het enig juiste woord
is. In plaats van zwijgend achter Wim Voermans aan te lopen
(hij neuriede een treiterend deuntje) vroeg ik naar zijn
school. Toen hij hoorde dat ik besloten had Latijn te laten
vallen, raakte hij geïnteresseerd. Misschien was ik de
eerste die belangstelling voor zijn vakkenpakket toonde.
Misschien was het alleen maar zijn onvatbare
persoonlijkheid. Wat het ook was, hij besloot dat ik o.k.
was. Ik keek achterom en zag meters van ons af Wim
ontspannen achterover zitten. (Dat maakte het er alleen
maar ongemakkelijker op: het idee een vriend van hem te
moeten zijn…) De rug die ons nadrukkelijk werd
toegekeerd betekende dat ik onder bescherming uit een
vreemde hoek stond. Er werd een machtsspelletje gespeeld en
toen Bill me uiteindelijk aankeek zag hij dat ik de
situatie begreep. Hij rochelde en spoog de fluim
waarschuwend naast mijn voeten.
‘Gij bleft
vurtaan van mun vrouw af,’ zei hij. Het had weinig
zin hem duidelijk te maken dat zij daar ook iets over te
zeggen had. Misschien was het alleen om zichzelf een
houding te geven, maar ik wist dat hij meende wat hij zei:
‘Assik oe de vollegende kir tiggekom, dan staamp ik
oew balle in oew keel.’
Ze zijn op commerciële tv-stations nooit zo zorgvuldig met
het onderbreken van een film voor reclame. Midden in de
handeling is ze er dan, dat meisje in de branding. En
wanneer het dan verder gaat is het net alsof de film gewoon
is doorgelopen, terwijl de dolfijnen, omringd door
luchtbellen, door het water gleden. Je bent opeens zes,
zeven minuten kwijt en verdwaasd kijk je om je heen omdat
de personages waarmee je vertrouwd was geraakt plots
vreemdelingen zijn geworden, buitenstaanders die iets delen
waar jij nu buiten staat.
Mijn
‘vrienden’ zaten allemaal nog waar ik ze had
achtergelaten, de kring slechts onderbroken door een lege
badhandoek. De mijne. Zakdoek leggen, niemand
zeggen… Dat was wat Wim Voermans geneuried had. Ik
voelde hoe er gespeculeerd was hoe ik toegetakeld zou
worden. Bij sommigen glom het leedvermaak nog in hun ogen.
Ik had misschien meer karakter getoond door mijn spullen te
pakken en te vertrekken. Maar dat gunde ik ze niet. Ik ging
liggen en weigerde antwoord te geven op de opgewonden
gestelde vragen. Het deed mijn ster rijzen. Even, in ieder
geval, want het enige wat ik zag was een groep mensen,
allemaal even blij dat zij het nu niet geweest
waren.
Daarna was het
nooit meer hetzelfde. Mijn sociale leven verplaatste zich
naar Etten-Leur en nog later naar Utrecht. Bill nam later
de supermarkt van zijn vader over, maakte een ander dan
Lisette zwanger – moest trouwen – en werd een
soort gerespecteerd burger met een bierbuik. Ook al sleep
dit de scherpste kantjes van zijn dreigement, ik zou voor
de rest van zijn leven bang voor hem blijven.
En hier lag hij nu. Het was zoiets als met een onbesproken
echtgenote van wie opeens foto’s opduiken uit een
tijd ‘dat ze het geld nodig had’. Bill was het
symbool van een periode die ik liever zou vergeten. Nu pas
was ik volkomen vrij. Ik veegde de tranen uit mijn ogen en
onderdrukte een laatste lachrilling. Ze moesten het maar
van me aannemen, niemand hoefde te zien hoe naast zijn pik
zijn ballen opgestroopt waren en onder zijn keel hingen. Ik
trok mijn jasje uit en legde het over Bill.
‘Je hebt het
verdiend,’ zei ik.
Uit Breda kwam de
ziekenwagen aan. Langzaam veranderde de toon van de sirene
en voor het eerst kwam hij vlak naast me tot zwijgen.
Secondenlang hoorde ik hem in zijn juiste toonhoogte voor
het stil werd.
Wist ik weer, nu
een flard voorbijkwam, daar langs dat wegrestaurant in
Luxemburg.
Zakdoek leggen, niemand zeggen… Ik was voor altijd
vijftien gebleven, in een kring mensen, op een zonneweide,
in een dorp aan de Belgische grens, toen dat kille weten
over me heen kwam. Nooit-of-te-nimmer zou iemand je ooit te
hulp schieten. Hoe groot de overmacht ook was om je te
ontzetten, niemand zou je willen of kunnen helpen. Niemand
zou iets voor je doen.
Herinneringen hebben geluid, kleur, geur, smaak en zelfs
een temperatuur. Maar daarnaast hebben ze ook een
toonhoogte. Het maakt niet uit waardoor die herinneringen
worden opgeroepen: terwijl ze opborrelen, terwijl ze
dichterbij komen, krijgen ze een steeds grotere
intensiteit. Pas als ze passeren hebben ze even hun ware
toon. Ik noem dat het Dopplereffect van de herinneringen en
ik denk dat ik nu weet waarom ik deed wat ik deed en op 25
juli 1994 probeerde mijn polsen door te snijden.