"[…] uit een op een zuil geplaatste glazen stolp met daarin een wakker, nijver apparaat, gleed een lang lint papier vol drukletters als een reusachtige worm op het vloerkleed, dat ik, man uit de serra, verbaasd opraapte. De in het blauw geschreven regel deelde Jacinto mee dat het Rusisch fregat Azoff Marseille was binnengevaren met averij! Ik vroeg hem bezorgd of die averij van de Azoff hem rechtstreeks schade berokkende. 'Van de Azoff…? Die averij? Mij…? Nee, het is gewoon een bericht.'" Deze passage komt uit De stad en de bergen van de Portugees José Eça de Queiroz. Het boek uit 1901 is het verhaal van nuchtere plattelandsbewoner Zé Fernandes en zijn steenrijke hartsvriend Jacinto, die zweert bij de geneugten van de grote stad. Diens huis is voorzien van de laatste snufjes: koelkasten, elektrische pennen, theaterfoons, een klok die de tijden van alle hoofdsteden ter wereld en de baan van de planeten aangeeft en een kast vol boeken die de verteller 'een massieve informatietoren' noemt. Het was vooral die telegraaf die berichten van over de hele wereld binnenbrengt, alleen maar omdat het leuk is te weten, die me bij lezing deed uitroepen: 'Internet!'
Ik voelde me super online bij de tijd, tot een boek uit 1901 mijn ogen opende. Ik zit nu precies tweeënhalf jaar op het internet. Ik heb drie providers en een stuk of tien e-mailadressen. Mijn 'massieve informatietoren' is een elegant laptopje, maar toch kan ik met een muisklik de tijden van alle hoofdsteden ter wereld. Ik kan miljoenen boeken lezen en obscure filmpjes kijken. De onleesbare thuispagina van een Japanse MiniDisc-fan bekijken of de website van een gekke Amerikaan die bewijst dat WWW een manier is het getal van het beest (666) te schrijven. En ik doe precies hetzelfde als een romanpersonage uit de vorige eeuw. Door de supereenvoudig te bedienen iMac kan elke peuter, huisvrouw of bejaarde alle beschikbare informatie de huiskamer binnenkrijgen. Door technische vooruitgang en gratis abonnementen kan iedereen zich laten overspoelen met berichten die nu eenmaal leuk zijn om te weten. Het succes van het internet komt niet voort uit de informatie die beschikbaar is. Het komt voort uit de universele menselijke nieuwsgierigheid. Als ik soms na zes uur surfen in bed rolde, het raster van de monitor in mijn ogen gebrand, vroeg ik me gedeprimeerd af wat ik nu eigenlijk had aan al die wereldtijden, beurskoersen, satanisten en clichéverzamelingen. Eça de Queiroz' boek maakte het me duidelijk. Werknemers verdóen meer tijd met surfen dan ze besparen en dat ligt niet altijd aan henzelf. Soms krijg je informatie waar je geen behoefte aan hebt. Stel je voor wat er gebeurde toen een redactrice van de NCRV een artikel over bevers moest schrijven en 'beaver' intikte bij een zoekmachine. De 'red beaver' en de 'split beaver' zwemmen niet in de Biesbosch.
Voor mij is het te laat, ik ben voorgoed online. Ik heb mijn eigen domeinnaam, wat thuispagina's, drie providers en een stuk of tien e-mailadressen. Het einde van De stad en de bergen kan ik zelfs niet meer tot voorbeeld nemen: Jacinto wordt niet gelukkiger van alle techniek. Die laat hem voortdurend in de steek. Hij gaat tussen de Portugese bergen wonen en wordt volmaakt gelukkig in de eenvoudige omgeving, ver van alle moderne techniek. Dat was vóór de tijd dat je met je PowerBook en een GSM draadloos vanuit Castelo Branco de beurskoers kunt bijhouden.

(In Metro van 11 maart 2000 als Voorgoed online met www.jacknouws.nl)