Eind vorig jaar was ik op het jaarlijkse Filmbal in Utrecht, ter afsluiting van het Nederlands Filmfestival. Een woelende massa van mannen in smoking en vrouwen in blote jurkjes. Een wild geflaneer, met als hoogtepunt het aanflitsen van cameralampen: dat had telkens weer een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de complete cast van Goede Tijden, Slechte Tijden. Nog omvergelopen door dingetje, hoe heet ze ook alweer.
Hoe anders is het Boekenbal in Amsterdam, ter opening van de Boekenweek. Het ligt niet aan de smokings en ook niet aan de blote jurkjes, al vullen de meeste schrijversvrouwen die anders dan aankomende actricetjes. Nee, het is de schichtigheid waarmee schrijvers de cameraploegen en fotografen uit de weg gaan. De verstijfde konijntjesblik waarmee in de lens gekeken wordt, terwijl je ze ziet denken: 'O mijn god, wat heb ik net gezegd? Is de ironie overgekomen?'
Het gaat de goede kant op met de Nederlandse schrijvers. Ze weten zich te ontworstelen aan het kamertjesgeleerden-imago. Ze werken samen met dj's. Begeven zich in oorlogsgebieden. Schrijven over computers, voetbal, popmuziek. Maar een beetje glamoreuze indruk maken wil maar niet lukken.
Sommigen kwamen zo onopvallend binnen bij het Boekenbal dat het opnieuw moest. Zodat ze gefilmd en geïnterviewd konden worden. Nou vooruit dan, zag je Manon Uphoff denken, maar je zag dat ze het stom vond.
Mulisch is de uitzondering natuurlijk. Hij heeft niet alleen de norm gesteld voor hoe een schrijver eruit hoort te zien (tweedjasje, pijp, al zijn haar nog) en zich hoort te gedragen (herenclub, minzaam, elke twee jaar een boek). Hij is ook nog een van de weinigen die zich op zijn gemak voelt naast zowel een lezer als Hillary Clinton. Die schaamteloos kan zeggen dat zijn boek nu al klassiek is en tegelijk kan aplaudiseren voor de symbolische verbranding ervan.
Er bestaat een website over literatuur die 'Mulisch is Ajax' heet. En het klopt. Mulisch is allang geen schrijver meer. Hij is een klassiek. Een symbool voor tradities.
Het Boekenbal kent een aantal tradities. Terwijl in de week daarvoor mensen wanhopig rondbellen voor een van de schaarse en peperdure kaarten (150 gulden), ook al een traditie, slagen elk jaar weer tientallen erin brutaalweg op het Boekenbal binnen te lopen. Wie het lukt is uit het juiste hout gesneden: uitgevers zoals Vic van de Reijt van Nijgh & Van Ditmar en schrijvers als Ronald Giphart zijn begonnen met insluipen. Ook dit jaar dansten een nog ongepubliceerde schrijfster en een aanstormende cabaretière met charmante loensende ogen tussen de sponsors en verzuurde recensenten. Zij komen er wel.
De mooiste traditie bestaat uit het meenemen van de versiering, die vanaf twaalf uur mag worden meegenomen. Terwijl in vorige jaren die versiering wat mallotig wilde uitvallen, was de keuze dit jaar heel moeilijk. Het thema 'klassiek' had heel wat net-echte amfora's, naakte torso's en tot sirenen omgebouwde Barbies en sekspoppen opgeleverd.
Dat leidde op het eind tot hebberige situaties, toen ik een vergulde damestorso wist te ruilen tegen een Barbie (ik was niet de enige die Kort Amerikaans van Wolkers had gelezen).
Maar ook al heeft 'Mulisch left the building,' zijn geest hangt over het Boekenbal en daardoor blijft het toch altijd een keurig feest, hoeveel binnengeslopen corpsballen ook beweren dat ze door Lydia Rood op de wc zijn gepijpt.
(In Metro van 15 maart 2000 als Mulisch is Ajax, geen schrijver)