De dorpsgek
Als ik in de jaren zestig en zeventig de honderd meter van en naar school liep, of als we op onze fietsen door het dorp reden, op zoek naar avontuur in leegstaande herenhuizen en op bouwrijp gemaakte terreinen, was de kans altijd groot dat we verrast werden door de Koekoek. Uit het niets leek hij op te dagen, waarna hij met luide stem ‘koekoek!’ riep. Hij was oud en rimpelig en daardoor klonk het toch altijd een beetje beverig. Hij reed op een opoefiets en dat alleen was al reden tot hilariteit, een opa op een opoefiets. De Koekoek deed helemaal niets, hij riep alleen maar ‘koekoek!’ We liepen hem wel eens achterna, maar ondanks zijn even beverige tempo wist hij ons altijd van zich af te schudden. Misschien daardoor juist. Hij putte ons uit.
Behalve de Koekoek hadden we ook nog Nel Douwkaar, die haar naam ontleende aan haar typische manier van fietsen. Ze reed alsof ze met elke omwenteling van de trapas haar fiets vooruitdúwde. We hadden Kiske van de Mik, we hadden Franske, nu ik eenmaal begin te schrijven komen er steeds meer bovendrijven. Kiske van de Mik die totaal vervuild uit zijn huis werd gehaald, in bad werd gestopt in het bejaardentehuis en twee dagen overleed aan een infectieziekte doordat de beschermende vetlaag van jaren van zijn lichaam was weggespoeld. Bij het leegruimen van zijn huis vond men in een sigarendoosje op de schoorsteenmantel honderdduizend gulden (zegt men). Franske, die in mijn roman De gemonteerde vrouw nog een rol heeft gevonden. Hoe gek of vreemd ze allemaal ook waren, en hoe bang we eigenlijk ook voor ze waren, ze kregen niet de behandeling die ‘De lange en de korte’ kregen. Dat was een jong stel waarvan hij opvallend lang, en zij opvallend klein was. Ze werkten ergens in het dorp, ik weet niet of ze collega’s waren. Hij bracht haar naar huis en in een van de achterafstraatjes van Zundert probeerden ze dan met elkaar te zoenen, achtervolgd door een groepje van tien tot twintig kutkinderen. Het gerucht ging dat de Lange wel eens iemand gegrepen had, maar dat maakte het alleen maar spannender om ze met nog meer inzet te achtervolgen.
De Koekoek, Franske, Kiske en Nel werden met heel anders behandeld. Met respect.
Ook nu de straten van de grote zijn overspoeld met vervuilde, verwarde, en krijsende mannen en vrouwen, soms jong, soms van onbestemde leeftijd blijft er een soort van respect bestaan. Een junk, een alcoholist of een asociale buurman kan de tering krijgen, maar het vrouwtje dat midden in de voetgangersstroom staat met geheven handen en af en toe wat moeizame danspasjes, of hinkelsprongen uitvoert, wordt met een ongemakkelijke glimlach bekeken, of met afgewend gelaat gepasseerd. Dat is nog steeds respect, hoe ongemakkelijk ook geuit. Maar de dorpsgek is weg.
Beneden Parijs is een dorpsgek nog steeds heel normaal. En in Spanje en Portugal ontkom je er niet aan. In Villa Nova de Milfontes zag ik een keer een jongen van bijna twee meter, dat op zich was al heel opvallend, die met slingerende armen door het dorp liep, ondertussen kwijlend onverstaanbare klanken uitstotend. In Sines liep een grote bolle rossige jongen met een blikken trommeltje in een plastic zakje tegen het nat worden zacht zingend door de straten. Zijn zingen klonk soms als jammeren.