Alles (ooit)

Een fijne plek, als je er moet zijn


Het geworstel met de automatisch sluitende deur en de ratelende wielen van mijn vliegtuigkoffer wekken het meisje. Ze knippert en zakt meteen weer weg, knus tegen haar vriendje, haar vervilte blonde rastakrullen tegen zijn wang. Zij heeft een zilverig vlekje in haar mondhoek, een opgedroogd restje kwijl. Hij oogt ongeschoren, ongewassen, uitgeput, moe. Twee vale zakken in het rek, plastic tassen, een doos met een touw. De conducteur laat ze (al sinds Rotterdam?) ongemoeid. De man heeft gevoel voor romantiek. Of misschien een groot warm hart vol vergeving. Het concept ‘verliefd stel’ overstijgt dat van ‘zwervers’ en ‘junks’. Het meisje heeft zich overgegeven. De jongen omhult haar met zichzelf, hij is haar lege plek om te blijven. Als het rijtuig op Amsterdam CS zich wiegend vult met lawaaipapegaaien (jaarclubjassen, neusijzers, FC-dassen) slapen ze deze keer zelfs rustig door. Ik kan niet eens meer lezen nu en leg mijn boek neer.
Sinds Schiphol zit ik al naar ze te kijken, direct, of via het raam. Ik slaap niet in een trein. Ook niet op een boot, in een vliegtuig of in een auto. Niet eens op een station. Uren in het donker de kilometers afgeteld. Passerende wagons geteld. Naar verlichte contouren van steden, bergen of havens gestaard, of naar mijn eigen weerkaatsing in het glas. Hoeveel slechte films heb ik al niet boven een oceaan gezien, hoe vaak ben ik met het kapotte glas de scheepsbar uitgeveegd? Jetlag of niet, mijn slapeloosheid is internationaal.
Als je je huis in tassen met je meedraagt, nooit weet waar de dag eindigt, misschien dat je het dan leert, slapen als het moet. Misschien is het de voorwaarde voor een zwervend bestaan, het talent te kunnen slapen waar je wilt, wanneer je wilt, met wie je wilt. Onder een brug. Op straat. In de trein met bezopen idioten om je heen. Onderweg slapen, het is een voorwaarde ook voor een reizend bestaan. Een zachte bank, warmte, het suizen van wielen, het tikken van rails en je slaapt. Als baby’s te veel indrukken ineens krijgen, dan zakken ze weg in een beschermende diepe slaap. Teveel herrie, teveel gezichten, teveel te zien... Zo slapen deze twee zwervers. Het is de slaap der onschuldigen.
Verder is iedereen schuldig, in deze nachttrein tussen Amsterdam en Utrecht. De dronken brallers die roken in niet-roken, de rusteloze knagers met zwarte gaten als pupillen. De man die zwijgend de pijn van zijn geschaafde knokkels verbijt en het geluid van een vuist op een kaak probeert te vergeten. De jongen die op de Wallen naar binnen ging en nu neurotisch steeds zijn gulp controleert. De vrouw die ging eten, maar niet met een vriendin, en nog steeds de zachte handen van een bijna-onbekende op haar lichaam voelt. Ze kankeren binnensmonds op mijn koffer en kijken van een afstand misprijzend naar het stel. En zijn hen weer vergeten als de deuren in Utrecht zich openen en ze brallend, knagend, verbijtend, frummelend, voelend, verdwijnen.
Twee zwervers in de trein, pension tweede klasse, bestemming onbekend retour. Laat ze slapen. Als ik met mijn koffer aan kom ratelen schrikt het meisje op. Ze knijpt haar vriend in zijn been en wijst naar mij. Ze rapen omstandig hun spullen bijeen en ik wacht. Dan komt vanonder de bank opeens een glanzende vliegtuigkoffer met KLM-label tevoorschijn en ik denk: ‘Wat stom, wat een vooroordelen, wat ben ik een bekrompen zak,’ en om het goed te maken zeg ik ‘en waar komen jullie vandaan?’
De jongen kijkt me niet begrijpend aan en vraagt ‘Shiphol?’
‘No, this is Utrecht,’ zeg ik. In zijn ogen verschijnt blinde paniek.
Ik ben de wakkere man. Nooit op reis, altijd op weg naar huis.
Utrecht, een fijne plek. Als je er moet zijn.