Internationale tegenwerking
Ik ben het product van eeuwen van internationale samenwerking. En tegenwerking.
Het begon met de Tachtigjarige Oorlog. Toen de Hertog van Alva naar de Nederlanden kwam, om er een beetje fatsoen en respect voor de Spaanse koning in te rammelen, bracht hij een groot leger met zich mee.
In die tijd kon je van het leger ook al een carrière maken, maar fatsoenlijk volk trok het niet aan. Als je nergens anders voor deugde, ja. Schorem en schorremorrie was het, met beurzensnijders, bezembinders, klaplopers, armoedzaaiers en hoeren erbij. Rovend en moordend, plunderend en verkrachtend, slopend en platbrandend trokken de Spaanse huursoldaten over het platteland van de Zuidelijk Nederlanden.
Toen Spanje uiteindelijk verslagen werd bleef dit tuig hangen. In Spanje haalden ze opgelucht adem. Daar waren ze mooi vanaf. In de eeuwen daarna mengde dit schuim van de maatschappij zich langzaam met de Zuid-Nederlandse bevolking. Dit zijn mijn voorouders. Er zit namelijk ook in onze familie zo’n stoffige stamboomonderzoeker die dat heeft uitgezocht.
Zoals bijna elke Zuiderling heb ik Spaans bloed en als je naar de Spaanse geschiedenis kijkt, waarschijnlijk ook nog een pietsie Arabisch en Joods.
Ik hoef niet verder terug te gaan dan naar de vorige eeuw, of er komen voorouders uit België en Frankrijk bovendrijven.
Ik vind het wel prettig dat ik eenderde Nederlands ben, eenderde Belgisch en eenderde van alles wat. Ik hou namelijk van rondreizen en of ik nu in Rome, Antwerpen, Lissabon, Wenen of Nijmegen ben, ik val nooit op. Ik lijk op een plaatselijke bewoner en kan ongestoord van een stad genieten.
Dat ene nadeel neem ik dan op de koop toe: ik val zo weinig uit de toon dat boertjes van de Hongaarse Poesta kwaad op me worden omdat ze denken dat ik te beroerd ben om uit te leggen hoe de kaartjesautomaat van de metro in Boedapest werkt.