Er is natuurlijk het verhaal van de Hell’s Angels. Een gezin huurt een huisje in CenterParcs. Kort na hun aankomst arriveert een afdeling van de Hell’s Angels, die er in het huisje ernaast meteen een enorme teringbende van maakt. Vader gaat ondanks tegenwerpingen van zijn vrouw klagen. Hij keert heelhuids terug, de herrie wordt inderdaad minder. Tevreden gaat het gezin uit eten en/of naar de sauna. Als ze terugkomen ligt er een ruitje uit. Binnen blijkt helemaal niets te missen, het glas wordt gezet en de volgende dag gaan ze naar huis. Als moeder later de foto’s ophaalt gaat ze over haar nek: op een van de foto’s staan de Hell’s Angels, met hun blote kont naar de camera. Uit hun behaarde anussen steken de stelen van de tandenborstels van de familie.
De kans bestaat dat je het verhaal anders kent, maar dat doet er niet toe. Het is een ‘Urban Legend’ (het Nederlandse Broodje Aap-verhaal), die oneindig de ronde doet. Mijn zus vertelde over een jongen die ooit op haar school zat. De leraar Nederlands gaf opdracht voor een opstel met de titel ‘Wat is lef?’ Na een kwartier stond de jongen op. Hij leverde een papier in dat leeg was, op een regel na: ‘Dit is lef’. Hij kreeg een tien.
Ik hoopte dat ik ooit dezelfde stunt zou kunnen uithalen. Die kans kwam natuurlijk niet, en ook als het waar gebeurd is dan is het zo vaak gebeurd (het verhaal gaat op ontelbare scholen rond) dat de stunt geen waarde meer heeft.
Lef is een Hebreeuws woord (Lev) dat ‘hart’ of ‘moed’ betekent. Maar het is de moed van de uitdager, van de onbeschoftheid, van de brutaliteit. ‘Moed’ en ‘edel’ gaan goed samen in edelmoedig, maar aan ‘lef’ kleeft ‘goor’ beter: ‘Heb het gore lef niet nog eens in de buurt te komen.’
De mens is spaarzaam bedeeld met moed, maar overvloedig met lef. Bergen beklimmen en ingrijpen bij zinloos weld is moed, lef is brutaal voordringen bij de bakker.
En brutalen hébben de halve wereld. Eind 1998 werd ik opgebeld door de organisatie van het Lezersfeest in Rotterdam. Of ik een lezing wilde houden over het fenomeen ‘literatuur en internet’, geïllustreerd met beelden van mijn eigen website. Aan het eind van het gesprek kwam het honorarium ter sprake. ‘Nou, euh, wij dachten dat u het wel als promotie van uw boek zou willen zien...’ zei de mevrouw aan de andere kant na een korte stilte, overdonderd door mijn lef geld te willen. Dus: of ik een nieuw verhaal wilde schrijven en helemaal naar Rotterdam komen voor een hand consumptiebonnen en een fles wijn. Ik heb het gedaan, maar in plaats van een lezing over internet heb ik voor een halfvol zaaltje een betoog gehouden over het gore lef dat organisatoren hebben schrijvers voor een fooi te laten optreden ‘ter promotie van hun werk’. Na afloop kwam de mevrouw van de organisatie naar me toe. Ze zei enthousiast: ‘Ging goed, hè!’ daarmee verradend dat ze niet aanwezig was geweest bij mijn verhaal. Dat lef hebben ze ook, die organisatoren.
Laatst werd ik opgebeld door een journaliste van Intermediair. Ze was bezig met een artikel uit een serie, deze keer over Utrecht. Ik moest vertellen wat de leukste, de gekste of de naargeestigste plekken van mijn stad zijn. Na de nodige vleierijen van haar kant stemde ik toe in medewerking en beloofde de hele daaropvolgende maandag overdag bereikbaar te blijven voor een telefonisch interview. ‘Hartstikkeleuk dat je wilt meewerken,’ zegt de journaliste. ‘Ik heb ook Bolder & Plante gebeld en als ik daar niets meer van hoor bel ik jou.’ Natuurlijk had ze daarnaast het gore lef nooit meer iets van zich te laten horen.
Ook een klassieker is iemand van een redactie die je benadert met het verzoek een column/verhaal te schrijven. Vreemd genoeg moeten de bijdragen altijd binnen een week binnen zijn. Nu heb ik genoeg bij tweewekelijkse, maandelijkse, tweemaandelijkse en driemaandelijkse tijdschriften gewerkt, of ervoor geschreven, om te weten dat een nieuw nummer redactioneel afgerond moet zijn als het vorige verschijnt. Zo’n laat verzoek kan maar één ding betekenen: iemand heeft op het laatste moment afgezien van zijn toegezegde medewerking. En dan is de redactie niet zo moedig om te zeggen waarom je een bijdrage mag leveren (het lege blad moet vol). Nee, ze hebben het lef jou het idee te geven dat zij het een hele eer vinden dat je wilt meewerken.
Het beeld is onuitroeibaar: schrijvers komen gratis optreden ter promotie van hun werk, met een beetje gevlei wachten ze gedwee naast de telefoon tot de interviewer belt en omdat ze verder toch niets te doen hebben kunnen ze binnen drie dagen over elk onderwerp een stukje schrijven.
Dat hebben we natuurlijk ook aan onszelf te danken. In plaats van een leeg vel in te leveren met daarboven de zin ‘Dit is lef’ ben ik weer gaan zitten en heb braaf de gevraagde 800 woorden volgemaakt. Schrijvers zijn de brave huisvaders die pas later ontdekken wat organisatoren, journalisten en redacties met hun tandenborstel hebben gedaan.