Alles (ooit)

De schrijver is een vogel


Ik ben opgegroeid in de jaren zestig en zeventig. John Lennon zong Leddie Pie, mensen stierven aan de Hong Kong griep, Jan Pallach stak zichzelf in brand en tot zes uur 's avonds was er op tv niet eens een testbeeld. Alleen wie een mastantenne had – de voorloper van de schotelantenne – kon in Nederland meer dan vier zenders ontvangen. Ik heb het geluk gehad dat ik werd geboren in Zundert, een paar kilometer van de Belgische grens. De BRT zond elke zaterdagmiddag een film uit. Tweetalig ondertiteld in dikkige contourloze letters die verdwenen tegen een woestijn of een ijsvlakte. Ik kneusde mijn polsen met klik-klakballen en strompelde op mijn skeelers over straat, maar als er films met James Steward, Humphrey Bogart of Fred Astaire uitgezonden werden, zat ik ademloos te kijken. Flight of the Phoenix, Dodge City, The Glenn Miller Story, Singin' in the Rain, The Wizzard of Oz. Het zijn een paar van de films die grote indruk op me maakten, maar de hoogtepunten waren de films met Fred Astaire. Dat lelijke magere menneke met zijn plakhaar... Toen hij in Follow the Fleet als matroos gekleed van een schip kwam, zag ik pas dat hij sprekend leek op het doodshoofdaapje op zijn arm. En toch kreeg hij iedere keer het meisje. Omdat hij zo mooi op het plafond kon dansen. De films met Fred Astaire leerden me dat je de werkelijkheid altijd mooier kunt maken dan hij is. En dat het er niet om gaat of het waar is, maar of het goed gebracht is. Dat het niet geeft als het al eerder is verteld, zolang je het maar beter, mooier of opvallender opnieuw vertelt. Bedankt Fred.
Binnenkort moet mijn eerste roman verschijnen. Hij is gebaseerd op twee autobiografische gegevens: een weekendaffaire in 1986 met een ongrijpbare vrouw, een paar maanden voor een Interrailreis die eindigde in Boedapest. Toen ik al een tijdje terug was zag ik bij een vriend een opname van een Duitse documentaire over de Hongaarse opstand van 1956. En op dat moment vielen die drie dingen in elkaar. Het heeft nog tot 1994 geduurd voor ik het verhaal dat in mijn hoofd was ontstaan opschreef, maar dergelijke dingen gebeuren wel vaker. Er zit een hoop rommel in mijn hoofd en door iets wat ik hoor, lees of op tv zie krijgt het zijn plaats. Het hoeft geen compleet programma te zijn. Het kan een nieuwsfeit, een stukje dialoog of zelfs een opmerkelijke regel in de ondertiteling zijn. Vooral sinds er commerciële televisie is. Bedankt Subtitling International.
Televisie nivelleert. Jiskefet, Jerry Springer, Diogenes, Glamourland, Sisters, Eigen Huis & Tuin, de Plantage, niemand schaamt zich meer voor zo'n kijkschema. In een goed boek wisselen melodrama, ernst, bezinning, kitsch en boertigheid elkaar af. We zijn erg aan televisiekijken gewend geraakt. Ook de mensen die klagen over de schreeuwerige montage van snel op elkaar volgende beelden, vallen bijna in slaap bij een serie uit de jaren zestig. Thunderbirds are go! maar het duurde twee minuten voor Thunderbird 2 eindelijk eens was opgestegen. Films, documentaires en reclame worden sneller gemonteerd. Dan is het niet meer dan logisch dat een roman of verhaal ook sneller wordt verteld. Pats! Een wending! Boem! Een nieuw gezichtspunt! Bedankt Twin Peaks.
Of dit allemaal in míjn werk terug te vinden is, is een tweede: ik ben een aanhanger van Marcel Reich-Ranicki's stelling dat een schrijver net zoveel verstand van literatuur heeft als een vogel van ornithologie.