Awijd, awijd
Try to imagine what silence
looks like
(Prince)
Mijn zus is 32 en ze
plast nog in haar bed. Ze speelt met babyspeelgoed en ze kan
niet praten. Ze kan niet lopen, ze kan niet blijven zitten en
ze kan niet blijven leven uit zichzelf. Mijn zus krijgt negen
soorten medicijnen, drie keer per dag.
Ze zingt: In de Haa da woonna
ga.
Mijn zus neuriet mee
op Mozart en krijgt toevallen van Prince. Mijn zus is
gehandicapt. Geestelijk gehandicapt. Ze had niet zo hoeven
zijn. Ze was het eerste kind van mijn ouders. Ze was de
eerste bevalling van de arts. Een moeilijke bevalling, hij
kon het niet aan, nam verkeerde beslissingen, tot een
vroedvrouw het van hem overnam, met bruut geweld. Mijn zus
zat anderhalve dag klem. Ze kreeg tangen op haar schedel.
Haar hersenen werden beschadigd en ze heeft zuurstofgebrek
gehad. Ze heeft geen spiercontrole. Mijn zus is een
zorgenkindje.
Ze zingt: Ma-ina, Ma-ina,
Ma-ina.
Mijn zus is al 32
jaar een baby. Ze zou een mooi engeltje zijn geweest, hebben
de buurvrouwen ooit gezegd. Maar ze leeft. Ze kost een
kapitaal per dag. Er zijn tijden geweest dat niemand dat
wilde betalen. Mijn moeder houdt veel van haar. Mijn zus zou
niet zo hoeven zijn. Mijn andere zussen zijn bang om zwanger
te worden. Mijn zus kwijlt op haar kleren. Soms bijt ze haar
handen kapot, soms trekt ze de haren uit haar hoofd. Ze viel
al negen keer een gapend gat in haar hoofd.
Ze zingt: Och waz zik maa, bij moe-e
thuisse ble-eve.
Mijn zus is meer dan
een plant, minder dan een mens. Ze plast op vaste tijden en
zit ze op de WC, dan is het goed. Zo niet, dan is de bank
nat, of het bed, of de stoel. Mijn zus is menselijker dan een
mens. Ze kan niet liegen, ze kan niet bedriegen. Ze lacht, ze
huilt, ze weet wat ze wil. Ze slaapt, eet, speelt,
masturbeert. Mijn zus heeft een eigen wil, ze overleeft.
Ze zingt: En da i inne.
Mijn zus dreef het
gezin bijna uit elkaar, mijn zus houdt het gezin bij elkaar.
Ze heeft een rolstoel, daarin rijden wij haar rond. In de
winkels is ze niet geliefd. Ze gilt en lacht en jaagt de
klanten weg. Gordijnen schuiven en luxaflex knakt wanneer wij
voorbijkomen met mijn zus. We maken grapjes, willen haar
leren surfen, zeilen, rolschaatsen en volksdansen.
Ze zingt: Ei, ei, eu-e-je, wa oe je
inne of?
Mijn zus woont in een
inrichting, in een andere stad. Ze is elke zondag thuis. Het
huis is speciaal voor haar verbouwd, maar mijn ouders worden
ouder. Ze kunnen haar niet meer aan. Mijn zus moet verhuizen
naar een stad dichterbij. En wat is mijn zus? Een pion in de
politiek. Mensen beslissen over mijn zus, geleid door
persoonlijke ambities en voor- of afkeuren van de ambtenarij.
Ze zingt: U ei
elle-ome.
We hebben altijd
dezelfde arts gehouden.
Toen hij na dertig jaar met pensioen ging, wilde mijn moeder
met mijn zus naar de afscheidsreceptie gaan. Ze mocht van
mijn vader niet gaan.
Mijn moeder zingt:
Weet
je dat er sprookjes zijn
die nooit zijn opgeschreven?
Sprookjes die voor groot en klein
voor altijd blijven leven.
Altijd, altijd, schijnt er een zon
voor de maan.
Daarom, daarom, blijven de
sprookjes bestaan.