Het Dopplereffect (fragment)
We waren allemaal bang voor de familie Raaijmakers. Zelfs de dochters hadden die brede behaarde onderarmen die er om vragen getatoeëerd te worden, zoals bij Bill uiteraard later het geval was. De zes kinderen Raaijmakers aardden allemaal naar hun vader, eigenaar van de enige supermarkt van het dorp. Het was een man die niet gewend was te vragen, maar die deed. Een man die geen tegenspraak duldde, maar sloeg. Hoe het er op de Mariaschool aan toe ging wist ik alleen van verhalen. Op de jongensschool bewogen Robert, Bill en Patrick zich over het schoolplein met een autoriteit die aangeboren leek – maar die er met de paplepel in geslágen was. Meningsverschillen werden buiten de schoolpoort geslecht: goed leren konden ze niet, maar stom waren ze ook niet. Er wordt vaak gezegd dat zulke mensen alleen respect kunnen opbrengen voor degene die met geheven hoofd de confrontatie aangaat. Alleen waren de drie jongens Raaijmakers niet als koppige hengsten die gebroken kunnen worden en die daarna gedwee luisteren naar hun meerdere. Daarvoor hadden ze van thuis te weinig sociale vaardigheden meegekregen. Van Robert, de oudste, ging het gerucht dat hij het schoolhoofd, met de angstaanjagende bijnaam de bosaap, ooit in elkaar had geslagen. Door de manier waarop die van Raaijmakers hun gang konden gaan, móest het wel waar zijn.
Ik geloof dat mensen zo simpel in elkaar zitten dat ze zich gaan gedragen naar de verwachtingen die anderen van hen hebben. Lang voordat hij de Amazon kocht, maakte Bill het dorp onveilig met een opgevoerde brommer. Later reed hij op een motor met opengeboorde knalpijp. Hij draaide af en toe de bak in voor joy-riding, diefstal en openlijke geweldpleging. Langzaam groeide het verhaal aan op zijn armen, in sierlijke of zelfaangebrachte tatoeages. (Motorrijden heeft voor mij altijd iets twijfelachtigs gehouden, ook al hangt daar nu die hele trendy mediasfeer van vrijheid en non-conformisme omheen. Alsof eigenzinnigheid niet in je hoofd zit, maar afhangt van een motor, een tattoo of een aanstellerige piercing.)
Het was Bill wiens ongenoegen ik op mijn hals haalde. Het had ieder ander van de drie kunnen zijn, want hoe chaotisch het er ook bij hen thuis aan toe ging, naar buiten vormden ze een front. Als ik mijn vrienden moest geloven had ik het nog goed getroffen. Maar voor mij was het de keuze tussen opgehangen, neergestoken of doodgeschoten te worden. In zo'n geval komt er toch meer kijken dan een persoonlijke voorkeur.
Het gebeurde toen ik al vertrokken was naar de middelbare school in Etten-Leur, een groeikern vlakbij Zundert. Ik was in een vast clubje gegroeid dat net het uitgaan had ontdekt. De jongens waren stuk voor stuk ouder dan ik. Door mijn bril was ik de perfesser. Omdat ik geïntroduceerd was door de gangmaker, mijn overbuurjongen Willem-Jan, werd ik geaccepteerd. Alle cafés waren even spannend, vooral als ze in een dorp ergens in de wijde omgeving lagen, ver van ons ouderlijk huis. Terwijl we Sport, Congo, Plantage en Fortuin afstroopten, veranderde de pikorde van weekend tot weekend. Ik had daar niet veel last van. Omdat ik jonger was en bij Willem-Jan in de straat woonde, werd ik met rust gelaten. Ik vond het prima, want al dat machtsgedoe boeide me niet. Ik was al blij dat ik meemocht.
Achtmaal was in die tijd heel populair. Achtmaal, waar iedereen ouder, groter en vooral lelijker was. Omdat we nooit stront kregen dacht ik in mijn vijftienjarige overmoed dat we onoverwinnelijk waren. Twee of drie flesjes bier in Café Sport waren voldoende mij dingen te laten doen waar ik eerder nooit aan gedacht zouden hebben. Hoe balsturig en ongezeglijk we ook leken, we kwamen zelden na een uur thuis. De lange zomeravonden in de jaren zeventig eindigden dan ook altijd tegen twaalven in de friettent. En op één zo'n avond waren de twee meisjes aan het tafeltje naast me opeens geen verschijnsel meer dat mij niet aanging. Ze waren een jaar ouder, een jaar dat op die leeftijd dubbel telt – in het geval van vrouwen misschien zelfs vier maal. Voor de rest wist wat er aan de hand was, stond ik buiten met een van hen te vrijen. Lisette heette ze en haar adem rook naar friet. In haar rosse krullen hing de lucht van sigarettenrook en haar kleren waren hard van het gemorste bier. De enige reden waarom ik alleen aan haar borsten voelde en niet verder kwam, was omdat haar vader haar kwam ophalen. Zo gaan die dingen en normaal was dit de heldendaad gebleven waa heel de weg naar huis over gepraat was. Dingen zijn veel simpeler als je opgroeit, niet omdat ze simpeler zijn, maar omdat je nu eenmaal niet nadenkt over de consequenties.
De woensdagmiddagen waren gereserveerd voor het zwembad – ook zo'n plek waar bepaald werd wie in het dorp vóór zijn achttiende moest trouwen. Lisette was me niet eerder opgevallen, maar nu kon ik niet aan haar ontkomen. Ze greep me van achteren vast en ik gooide een paar keer een bal tegen haar hoofd. Maar toen we elkaar onder water eenmaal aanraakten op plaatsen die door mij niet eerder aangeraakt waren, leek haar bestaan ineens niet meer zo belangrijk. Misschien was het dat haar vormen te duidelijk in de natte bikini afgetekend stonden. Misschien walgde ik opeens van haar besproete wittige huid en de slierten rood haar die nu plat op haar hoofd hingen. Zwijgend gingen we uit elkaar, maar ik had weer een verhaal te vertellen.
Mijn haar was nog nat toen een van mijn vrienden met meer haast dan gewoonlijk terugkwam van de snoepkiosk. Hij ging in het kringetje zitten en schraapte onhandig zijn keel.
'Die rooie van jou, die Lisette…' Er was iets in zijn stem dat iedereen geïnteresseerd deed opkijken '…Dat is de vriendin van Bill Raaijmakers.'
In België ontploften na elkaar twee granaten. Het gras in de zonneweide zat vol gele plekken. Ik werd misselijk. Ik kon nooit meer uitgaan. Ik had aan de vriendin van Bill Raaijmakers gezeten.