Ladderzat

(nacht van 12 op 13 augustus 1994)

De jonge vrouw liep op haar hoge hakken als een hert op een wildrooster. Alle ogen in het café waren op haar gericht.
‘Is deze vrij?’ Ze knikte naar de lege barkruk naast me.
‘Ja.’
Ze hees zich op aan de bar en deed haar best zich elegant op de kruk te laten neervlijen. Het had nog wat geleken als ze niet de hele tijd ‘kut, kut, kut’ had gemompeld.
‘Je gaat toch geen gesprek met me beginnen, hè?’ zei ze koeltjes toen ze zag dat ik nog steeds naar haar keek.
‘Alleen als jij je mond ook houdt.’ Als er iemand was die geen zin had een gesprek aan te knopen met zo’n knappe onaantrekkelijke blondine als zij, dan was ik dat wel.
‘Dan is het goed. Ik kom hier alleen maar om iets te drinken.’
‘Van mij zal je geen last hebben.’
Ze maakte haar opgestoken haar los en deed het in een paardenstaart. Met een elastiekje in haar mond zei ze dat dit heel erg op een gesprek begon te lijken en of ik niet kon oprotten.
‘Ik peins er niet over. Ik zat hier het eerst. Ik zat hier het eerst vanavond. Ik zat hier het eerst vorige week. Ik zat hier het eerst vorig jaar en ik zat hier het eerst vijf jaar geleden. Hoepel zelf op of hou zelf je mond.’
Mijn nieuwe vriendin zuchtte en wroette in haar tasje. ‘Kut, kut, kut,’ mompelde ze weer. Ze beheerste dat zuchten en mompelen tot in de perfectie. Ze wenkte de barman en wisselde geld voor de sigarettenautomaat en bestelde meteen een whisky. Ik voelde aan de string die in mijn linker kontzak zat.

Theatercafé De Bastaard op het Jansveld heeft zijn naam tegen en zijn sfeer mee. Tegen omdat de zaak geen kermis van theaterattributen is en mee omdat het uit de loop ligt, waardoor het er rustig is en voornamelijk gasten trekt die er speciaal voor omfietsen – of juist verdwaalde gasten binnenhaalt. Begin jaren negentig werd het strak heringericht. Het was te vroeg om te zeggen dat het zijn tijd vooruit was, maar in een tijd dat de vrachtwagens met complete grand-café-interieurs uit Noord-Frankrijk voorreden, was de lichte strakke inrichting een verademing. Het typische uitgaanspubliek haalde de neus op voor de kille Bastaard. Professor, patser of proleet: bruin of grand, dat is hoe de Utrechter zijn café het liefst heeft.
Hiervoor was café ‘t Hoogt jarenlang mijn stamkroeg geweest. ‘Een plek om te zien en gezien te worden’, omschreven bladen voor hippe trutten het gemakzuchtig. Noem mij maar eens een café dat niet aan die omschrijving voldoet. Ik kwam er voor het Hoegaerden witbier dat geen enkel ander café in Utrecht tapte. En voor de leuke serveerster. Ik meende altijd dat er iets tussen ons broeide en wachtte op het juiste moment om aan te pappen. Tot er opeens een of andere fotograaf binnenkwam en haar aansprak. Binnen een week woonden ze samen.
Vanuit ‘t Hoogt was de Bastaard gewoon een stukje doorrijden en de kroeg was daar net op Hoegaerden overgestapt. Inmiddels leek het alsof ik in de Bastaard geboren was, maar toen deed de ontworteling me pijn. Meer dan het blauwtje. Die klotefotografen ook. Er is maar één ding erger dan een fotograaf en dat is een schrijver. En de allerergste daarvan kwam net de Bastaard kwam binnenlopen. Ook dat nog.
De Schrijver, zoals ik hem noemde, kwam meestal pas tegen sluitingstijd binnen. Hij zag er precies uit zoals mensen willen dat een schrijver eruitziet: a-modieus gekleed, ongeschoren en met een gekwelde blik. De miskenning sloop als een schurftige hond met hem naar binnen. Ik had hem wel eens uit zijn werk horen voorlezen op de Stadsomroep en ooit publiceerde hij iets in Vrij Nederland. Hij schreef ook gedichten, precies zoals mensen denken dat een gedicht hoort te zijn, als een cryptogram.
Ik had nog nooit echt met hem gepraat, op straat was er de korte knik van de herkenning van de nighthawks, maar nu ik deze nacht toch bezig was nieuwe vrienden te maken kon hij er ook wel bij. Ik had ernstig behoefte aan nieuwe vrienden. Ik was mijn oude een voor een kwijtgeraakt aan mijn antwoordapparaat. Stuk voor stuk hadden ze ingesproken tot het bandje vol was. De eerste maanden had ik dat nog trouw verwisseld tot ik op een gegeven moment merkte dat het laatste leeg was gebleven.
De Schrijver ging aan de kop van bar staan, zijn vaste plek. Overzicht over alles en als het moest binnen twee tellen weer buiten.
‘Hoi,’ zei ik.
‘Hoi,’ zei hij. Hij keek verbaasd. Dat zag er raar uit, als je die gekwelde blik gewend was.
‘Hoe gaat het met je boek?’ vroeg ik, hoewel ik geen idee had of hij met een boek bezig was.
‘Goed,’ zei hij. ‘Het gaat langzaam, maar het gaat goed.’
Ik bestelde wat voor ons te drinken bij de barman die druk in gesprek was met de heks links van me. Liever had ik hem niets gevraagd, maar zolang dat stuk chagrijn naast me whisky’s zat te koppen was alles beter dan strak vooruit kijken.
‘Waar gaat het over? Is het psychologisch? Autobiografisch? Historisch of wat?’
De Schrijver zuchtte en ging er eens goed voor staan. ‘Er zit inderdaad een autobiografische component in, maar dat is niet belangrijk. Het verhaal is ook niet belangrijk. Het gaat om het idee. Het moet zich loszingen van de realiteit en een universele waarheid krijgen. Kijk, dit glas is voor de meeste mensen een glas en meer niet, maar ik zie de condens zich langzaam samenvoegen tot druppels, die uiteindelijk naar beneden stromen en opgenomen worden door het bierviltje. Langzaam wordt het glas helder. Als je erdoorheen kijkt werkt het als een vertekenende lens. De wereld vertekent en wordt gekleurd. Snap je?’
‘Nee.’
Hij glimlachte toegeeflijk. ‘Het is ook niet gemakkelijk. Maar ik probeer je uit te leggen hoe je de essentie van iets kunt vastleggen.’
‘Door dwars door een glas bier heen te kijken?’
‘Dat is een beetje kort door de bocht, maar daar komt het wel op neer.’
‘En als je nu door een kopje koffie heen wilt kijken? Of door een glas pis?’
‘Het is een beeld, snap je. Het is een beeld. Ik probeer de wereld te ontleden, de lagen af te pellen, zoals je rokken van een ui afpelt en daarna weer op een andere manier over elkaar heen te leggen, zodat je denkt, o ja, zo had ik er nog niet naar gekeken.’
‘Aha,’ zei ik en liet het bier in mijn glas ronddraaien tot er een dun laagje schuim op kwam te staan. ‘Ik heb laatst je verhaal in de Volkskrant gelezen. Is het een stuk uit je boek?’
Hij knikte met geveinsde nederigheid, klaar om het compliment in ontvangst te nemen.
‘Ik vroeg me af, waarom noemde je de Bastaard ‘Het Raspaard’. En Utrecht ‘Midstad’? En de Domkerk ‘de Kathedraal’? En De Telegraaf ‘De Telex’? Dat is toch onzinnig. Iedereen weet toch meteen welke krant je bedoelt, welk café, welke stad? Waarom ga je daar rare namen voor bedenken? Alsof je van de werkelijkheid fictie maakt door anagrammen en woordspelingen te gebruiken, de wereld een sleutelroman. En dan heet de hoofdpersoon Theo des Mensen. Ik had hem door hoor, Theo des Mensen, God van de mensen! Is dat autobiografisch. Ben je ook een God in het diepst van je gedachten? Ik heb zo de schurft aan dat Nederlandse gejongleer met omineuze namen. Noem zo iemand dan gewoon Frans Evers of Kees Konings.’
Ik wilde aardig zijn, echt waar, maar het lukte me gewoon niet, ik kan geen dingen zeggen die ik niet meen.
‘Waarom ga je eigenlijk een andere wereld verzinnen, een parallel universum, als deze wereld, dit universum al vreemd genoeg is. Ik vind het kinderachtig. Jij ziet waarschijnlijk een verhaal. Ik zie een gepelde ui in een glas pis dobberen…’
Dit ging niet goed. ‘Over pissen gesproken…’

Toen ik terugkwam was De Schrijver verdwenen. Naast mijn halflege glas witbier stond een vol.
‘Wat ben jij een lul, zeg,’ zei mijn buurvrouw terwijl ze haar glas in een toast ophief. De ‘l’ kwam er niet loepzuiver uit.
‘Dank je.’
‘Het was geen compliment.’
‘Pech voor je.’
‘OK, eigenlijk was het wel een compliment.’ Ook hier was de ‘l’ wat aarzelend. ‘Kut, wat een slap ouwehoer, die vent. Met zijn ui.’
‘En nu heb ik bier gewonnen?’
‘Eigenlijk wel ik best je praten. Over literatuur of zo.’
Ik zuchtte en voelde of de string nog in mijn kontzak zat. ‘Maar ik niet met jou. Niets persoonlijks, maar ik ga naar huis.’ Ik nam het glas Hoegaerden en sloeg het in één teug achterover. ‘Bedankt.’ Ik liet me van mijn kruk glijden en ging naar buiten. Terwijl ik mijn fiets losmaakte hoorde ik achter me hakken.
‘Wil je me naar huis brengen?’ Ze was aangeschoten.
‘Waarom?’
‘Ja, kut, omdat ik het vriendelijk vraag?’
‘Kun je geen taxi bellen.’
‘Mijn geld is op.’
‘Waar woon je?’
‘De Gansstraat.’
Dat was niet overdreven ver van mijn huis. Vooruit dan maar.
Het meisje sprong achterop en legde haar rechterarm stevig om mijn middel.
‘Mijn benen zitten links. Dat je het weet.’
Ze woog niets. Zonder al te veel moeite reed ik het Jansveld uit en de omhooglopende Slachtstraat in langs ’t Hoogt, de Ganzenmarkt over, achter langs het Stadhuis, naar beneden over de Vismarkt en weer omhoog en toen links de Servetstraat in en onder de Domtoren door. Ik stopte.
Het was stil op het Domplein. De Domtoren stak boven ons uit, de Domkerk stond als een donkere steenklomp aan de overkant.
Het meisje liet zich van mijn bagagedrager glijden. Ze wankelde naar een paaltje en stak een sigaret op. ‘Kut, ik ben ladderzat,’ zei ze tegen zichzelf. En toen tegen mij: ‘Waarom stop je?’
Ik liep naar de ingang van de Domtoren en trok aan de deur. Dicht.
‘Je bent niet alleen een lul, je bent ook raar.’
‘Uit jouw mond is dat waarschijnlijk ook een compliment.’
Ze mompelde dat ik eigenlijk wel gelijk had. ‘Waarom wil je naar binnen?’
‘Er is daar een bruiloft aan de gang.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik was daar. Maar ik ben eruit gegooid omdat ik ruzie met de fotograaf kreeg.’
Ze grinnikte. ‘En daarom wil je terug naar binnen?’
Ik greep in mijn kontzak en liet haar het broekje van de bruid zien. ‘Nee, hier om.’
‘Een string? OK, jij bent dus heel weird.’ Ze rolde met haar ogen.
‘Het is van de bruid. Heeft ze verloren toen ze ging plassen en… laat ook maar, ik ga het niet uitleggen. Maar opeens bedacht ik, als ze vannacht in de bruidssuite van haar hotel ligt en de bruidegom haar uitkleedt en dan ziet dat ze geen ondergoed aanheeft, dan heeft ze een probleem…’
‘Je gaat me toch niet vertellen dat je op haar bruiloft met de bruid hebt staan vozen?’ Het meisje begon te schateren. ‘Ook nog een klootzak! O, je bent geweldig. En nu?’
‘Als ik nou die string terug leg waar ik hem gevonden heb… Dan heeft ze geen probleem.’
‘Al die moeite voor iemand die met een ander is getrouwd. Mannen en zinloze ondernemingen... heerlijk.’
Dat betwijfelde ik. ‘Als ik hier nu eens omhoog klim... Ik zet mijn fiets tegen de muur en als jij die vasthoudt… dan kan ik vast een kier vinden...’
‘Je bent niet goed bij je hoofd.’
‘Eeuwen geleden beklommen mensen dagelijks de Dom. Als zij het konden, dan kan ik het ook. Als je de Dom beklimt vertellen de gidsen altijd dat de torenwachter café hield in de toren. Om er te komen moest je door de Michaëlskapel, waar toen de bisschop van Utrecht woonde. Toen die dat beu was kon je alleen nog met een ladder buitenom in de kroeg komen. Waarschijnlijk vanwege de hoeren. Bij het weggaan wilde een dronken bezoeker nog wel eens een treetje missen en te pletter storten. Daar kwam de term ‘ladderzat’ vandaan, werd er dan triomfantelijk aan toegevoegd. Ik heb het verhaal zeker zeven keer gehoord, dus het zal wel waar zijn.’
‘‘Si non e vero, e ben trovato’, zeggen ze in Italië: als het niet waar is, dan is het goed verzonnen. Ik studeer Italiaans, kut, als ik dit morgen mijn huisgenoten vertel gelooft niemand mij.’
‘Dat ligt dan aan jou.’
‘Kut. Kom nou maar naar beneden, het lukt je niet zonder ladder.’
Ze had gelijk. Ik ging ook op een paaltje zitten. Ik hijgde nog na terwijl het meisje weer een sigaret opstak. ‘Hij staat hier wel heel dreigend achter ons, die Dom.’
‘Ik heb er geen last van. De laatste zevenhonderd jaar is hij niet van zijn plaats geweest.’
‘Dat bedoel ik niet. Zo’n enorm fallussymbool.’
‘Gelul. Dat is een veel te gemakkelijke en voor de hand liggende vergelijking. Alles wat lang is is een fallussymbool. Weet je wat de Domtoren is? Het symbool dat laat zien dat we hier in Nederland op één been hinkelen, nooit eens vol er in met twee, niet eens de moeite nemen er een houten poot bij te nemen, nee, altijd voorzichtig met één been in het water. Nee, dan de Notre Dame in Parijs of de Dom van Keulen. Ga daar recht voor staan en wat zie je dan? De twee torens naast het portaal zijn de opgetrokken benen... de deuropening als... een kut – je lievelingswoord – met de open deuren aan weerszijde als gespreide schaamlippen... en daarboven het roosvenster als clitoris. Zo’n kerk, dat is een barende vrouw die na elke mis verlichte gelovigen op de wereld zet. En omgekeerd, ter kerke gaan, dat is ‘ingaan’ in de ware zin des woords, terugkeren tot de moederschoot, de poort naar de hemel. Je ziet de devote koppen van hen die ter kerke gaan al voor je. De verzaliging als ze de grote ruimte binnen gaan… Die middeleeuwers wisten wel wat ze deden. En wat er zich dan binnen in zo’n kerk afspeelt, met vleesgeworden brood en wijn die in bloed verandert...’
Het meisje keek naar de kerk aan de overkant van het Domplein. ‘Ziet er hier heel anders uit.’
‘Dat klopt, de Domkerk is verminkt. Na de instorting van het middenschip is die dichtgemetseld. Er is een klein onopvallend ingangetje overgebleven. Dichtgenaaid als een Somalische vrouw. Bij de Beeldenstorm eerst de binnenkant leeggeschraapt als bij een curettage en na een echte storm de kerk dichtgemetseld. Iedere stad krijgt de kerk die hij verdient en de Domkerk past precies bij Utrecht. Nuchter. Gesloten. Wars van uiterlijk vertoon. Lust en passie weggestopt in donkere hoekjes…’
Ik was tegenover haar gaan staan. Ze keek omhoog van haar paaltje. ‘Hoe heet je eigenlijk,’ vroeg ik.
‘Esther,’ zei ze.
‘Zullen we zoenen? Nu we toch hier staan.’
Ze trapte haar sigaret uit. ‘Van de bruid naar een wildvreemde in één avond. Dat is een beetje veel, vind je niet? Of hoop je dat ze net naar buiten komt terwijl je je hand onder mijn rokje hebt? En daarbij is mijn vriend uitsmijter. En erg jaloers. Hij heeft al eens iemand bijna dood geslagen. Ik ben een zinloze onderneming.’
Ze stond heel erg dicht tegen me, ze fluisterde bijna. ‘En iets zegt me dat je die string als een grote opdracht ziet en dat je niet rust voor die terug op de Domtoren is. Het is een levenstaak. Je zal niet rusten. Heb ik gelijk?’
Ik knikte.
Esther rommelde in haar tasje en gaf me een strip met pillen.
‘Wat is dat?’
‘Dat houd je wakker. Eerst drie en twee uur later nog twee. Doe je best. Je kunt het.’
Ze draaide zich om en stapte in een taxi die achter ons met een open deur gereed stond. Waar was die vandaan gekomen? De deur ging dicht alsof de auto zich vacuüm zoog en de auto reed bijna geruisloos weg.
‘Je bent mijn type helemaal niet!’ schreeuwde ik de Mercedes na.
Ik stopte de pillen in mijn broekzak en draaide me weer om. Ik klom weer op mijn fiets en zette mijn vingers in de kieren tussen de stenen. Ik keek omhoog.
‘Nu is het tussen ons, makker.’