Alles (ooit)

Fragment: Magna civitas magna solitudo*


(zomer 1994, diep in de nacht)

Ik ben van nature geen wildplasser. Maar midden in de nacht, als je het decorum ver achter je gelaten hebt en de volgende bestemming nog niet in zicht is, wil ik wel eens van mijn eigen gouden standaard neerdalen en in de Oudegracht pissen. Als je hard genoeg moet – net als ik nu – ga je zo over de werfkade het grachtwater in. Het is een mannelijk gebaar. Een mooi geluid. Klateren. Een vrolijk woord ook.
Ik ritste tevreden mijn broek dicht en draaide me om. Tegenover me stond een motoragent.
Hij keek me zwijgend aan.
Ik keek terug.
Het bleef stil. Geen idee hoe lang hij daar al stond. Lang genoeg.
‘Dit is het moment waarop u moet zeggen: “Wát staan we hier te doen?”’ zei ik, in een poging de ongemakkelijke stilte te doorbreken.
‘Ik zou zeggen, we staan hier in een ongemakkelijke situatie,’ antwoordde de man.
Dat was zo, ja.
Het was te donker om iets van zijn gezicht af te lezen, maar hij zette een stap naar voren. Ik ging opzij. Hij leunde op de balie – nadat hij gecontroleerd had of ik wel netjes over de rand had geplast, zonder op het ijzer te knoeien – en liet zijn blik over de overkant van de Oudegracht glijden.
‘Komt u hier eens naast me staan,’ zei hij en maakte plaats.
We keken samen naar de overkant.
‘“Cities, like cats, will reveal themselves at night,” zei de Engelse dichter Rupert Brooke ooit. Wat denkt u? Is dit een stad?’ vroeg de agent.
Ik deed of ik lang nadacht. ‘Veel mensen denken van wel. Cittŕ del Duomo, enzovoort.’
‘Dat is een ontwijkend antwoord.’
Ik ben wel eens eerder aan een kruisverhoor onderworpen midden in de nacht, door een groepje agressieve voetbalsupporters, dus ik wist dat ik voorzichtig moest formuleren. Al leek me een aframmeling door een motoragent die obscure Britse dichters kent niet aan de orde. ‘Utrecht, de vierde stad van Nederland, lees ik altijd.’
‘Dat is nog steeds een ontwijkend antwoord. Zegt u me eens eerlijk. Wat vindt u? Is dit een stad?’ Hij maakte een weids, nee, melodramatisch armgebaar waarmee hij de winkels, de verlichte bruggen, de slordig vastgeklonken fietsen en de slenterende groepjes studenten probeerde te omvatten.
‘Als ik eerlijk moet zijn: ja,’ antwoordde ik. ‘Een provinciestad, in ieder geval.’
‘En waarom,’ zei de agent.
‘Ik snap niet goed wat u bedoelt.’
‘Wat maakt een stad een stad?’ drong hij aan.
‘Stadsrechten.’
Zijn leren pak kraakte. ‘Onzin. Hagestein, Woerden en Schoonhoven hebben ook stadsrechten en die konijnenholen kun je niet met Utrecht vergelijken.’
‘OK. Meer dan tweehonderdduizend inwoners dan?’
‘Ook niet. Utrecht bungelt er maar bij in het rijtje Nederlandse steden. Het is geen Amsterdam. Het is geen Rotterdam. Dat zijn pas steden, wat zeg ik, dat zijn wereldsteden! Parijs! Londen! Boedapest! Praag! Rome! Lissabon! New York!’
‘Bent u daar geweest?’ vroeg ik.
‘Allemaal. Op New York na.’
‘Bent u hier geboren?’
‘Ja. Dat wil zeggen, ik ben in Palmstad geboren.’
Ik schoot in de lach. ‘Niet echt een stád, zo’n gehucht met zes straten.’
‘Inderdaad. Toen ik vier was zijn we hierheen verhuisd, naar Kanaleneiland. Een nieuwe frisse groene wijk, toen, moet ik zeggen. Fijne jeugd gehad.’ Hij zuchtte. ‘Man, wat heb ik zin in een sigaret.’
‘Pas gestopt?’
‘Ja. En u?’
‘Ik ben nooit begonnen. Maar waarom is het zo belangrijk dat Utrecht een wereldstad is? Ik moet zeggen dat ik het wel prima vind dat ik de hele binnenstad kan belopen. Grote stad, grote eenzaamheid...’
‘U kent uw klassiekers, dat is van Robert Long.’
‘Bijna goed. Die zingt “De stad is groot genoeg om eenzaam in te zijn”. Dit is van Erasmus, geen Utrechter. Ik ben blij zat dat we hier geen Damrak hebben of geen Nieuwe Binnenweg. Als ik door Amsterdam loop heb ik helemaal niet het gevoel dat ik in Nederland ben. Geen enkele wereldstad zegt iets van het land waarin het ligt. Hier in Utrecht hebben we één straatje hoeren en een kluitje junks in Hoog Catharijne. Lekker overzichtelijk. Of is dat uw probleem? Zou u net als uw Amsterdamse collega’s graag eens een liquidatie oplossen?’
‘Dat is onaardig.’ De motoragent zuchtte. ‘En ik heb nog steeds geen antwoord op mijn vraag gekregen.’
‘Ik weet het niet.’
‘Zal ik dan het maar geven? Ik worstel al de hele tijd met dit beklemmende gevoel en toen ik u zojuist zag staan wildplassen wist ik het opeens. Water. Het is het water. Net als in die steden die ik net noemde, Amsterdam, Parijs, Rome, net als daar loopt hier water doorheen. Alleen kun je in Utrecht piesend bijna de overkant raken. Een echte stad heeft een machtige bruisende rivier door zich heen lopen. De Donau, de Moldau, de Tiber, de Theems, de Seine, het IJ. Waar enorme boten het water dooreenwoelen en watermassa’s zich vernietigend een weg banen. En wat heeft Utrecht? De Oudegracht. Een gekanaliseerd stukje Kromme Rijn waarin huizen hun riool spuien. En dat liedje waar Utrechters zo trots op zijn: “Als ik boven op de Dom sta, kijk ik effe naar benee, dan zie ik het Ouwe Graggie, het Vreeburg en Wijk C.” Dat zegt toch alles? Als je boven op de Dom staat zie je heel Utrecht. En dat plasgootje hier.’
‘Maar als u boven op de Dom staat ziet u ook hoe Utrecht doormidden wordt gekliefd door het spoor! De rails met hun vertakkingen, met hun glanzende rails, waarover miljoenen mensen reizen, waarover goederen en gif vervoerd worden. Dat is toch het toppunt van moderniteit, daar kan toch geen Hudson of East River aan tippen? Weg met de Taag, leve het spoor! En weet u wat. het is allemaal maar uiterlijk. Weet u waardoor een stad een stad wordt? Niet door hoogbouw, maar door het leven. Door een cultureel leven, door bioscopen, musea, theaters, restaurants in alle smaken van de regenboog, verenigingen en vriendennetwerken.’ Ik zag de agent instemmend knikken. ‘En door een zeer uitgebreide selectie aan cafés. Dat doet me er aan denken dat ik weer eens door moet.’
De agent pakte me bij mijn bovenarm. Hij had zijn bonnenboekje in zijn andere hand. ‘Niet zo snel. Niemand pist ongestraft op mijn stad.’

*) Grote stad, grote eenzaamheid. Erasmus