(begin van) Hoofdstuk 2: De expert van Lexicon
Als je foto’s ziet uit de jaren zestig – lege straten met her en der Kevers, Dafjes en Simca’s – dan lach je om de vermeende verkeersproblematiek uit die tijd. Terwijl juist toen steden opengebroken werden voor de aanleg van metro’s en snelwegen. In Utrecht werd de stationsbuurt, een verkrot deel van de stad vol kraakpanden, platgegooid en vervangen door de Heerlijke Nieuwe Wereld van Hoog Catharijne. De Catharijnesingel werd gedempt en veranderde in een vierbaans snelweg in afwachting van verschillende doorbraken om de stad te ontsluiten. Er waren serieuze plannen om de Oudegracht te dempen om er een ringweg aan te leggen en her en der werden vol overmoed panden gesloopt in afwachting van een noodzakelijke verbreding.
Zoiets was ook in de Korte Smeestraat gebeurd. Krotten werden onteigend en platgegooid in afwachting van asfalt. Dat maar niet kwam. Terwijl de stad in de greep van de projectontwikkelaars kwam en werd opgezadeld met een erfenis uit het verleden, een woningbezit van schamele kwaliteit dat dringend renovatie behoefde, eindigden alle plannen door de status van Artikel-12 gemeente. Utrecht was failliet en stond onder curatele van het Rijk. Alle mooie plannen belandden in de ijskast en de Korte Smeestraat was twee gedoogde parkeerplekken rijker. Alle nadeel heb zijn voordeel en in de afkoelperiode kwam iedereen weer bij zinnen. Snelwegen door de stad verloren het van huizen en zo werden in 1984 de gaten in de Korte Smeestraat weer dichtgebouwd.
Op de plaats waar tien jaar eerder een Jugendstilpand had gestaan werd een blok van zes HAT-eenheden gezet. Ze moesten op een bestaande plek worden ingepast, rekening houdend met de eisen van bouw- en woningtoezicht. Tegelijk was het bouwproject een goedbedoeld werkverschaffings- en reïntegratieproject voor ontspoorde jongeren, of criminelen met een nieuwe start. Na oplevering was iedereen blij, maar de bewoners zaten met de gebakken peren. Geen enkele muur stond recht. De kozijnen, voorzien van dubbel glas, kierden aan alle kanten met enkele millimeters. Het intercomsysteem was om de haverklap kapot en behang en pleisterwerk bladderden binnen een paar maanden naar beneden.
Ik had de eerste jaren van mijn aanwezigheid voor een groot deel besteed aan het gevecht met de woningbouwvereniging om alle bouwkundige fouten op te lossen. De scheve muren konden niet meer rechtgezet worden (‘U kunt ook kiezen voor een vloerbedekking zonder geometrisch patroon, zodat de afwijkingen niet opvallen,’ kreeg ik doodleuk te horen), maar uiteindelijk was ik punt voor punt in gelijk gesteld. De kieren waren met PUR-schuim dichtgekit aan de muren (oh PUR-schuim panacee der bouwvakkers), tegels en stucwerk vervangen. Zo goed als nieuw. Goede beargumenteerde brieven schrijven aan instanties, daar was ik heel goed in geworden. Vuil op straat? Binnen de kortste keren stonden er aan het begin en het eind van de Korte Smeestraat prullenbakken. Lantaarnpaal kapot? Binnen een dag was het gerepareerd. De kracht van een boze brief zit hem erin dat het geen boze brief ís.
De gang stond vol met troep. Dat was de laatste twee jaar wel vaker, maar nu was het erger dan ooit. Voor het eerst in die twee jaar deed het me niets. Het was de aankondiging van de verhuizing van mijn bovenbuurman Marc. We hadden met alle bewoners en buren de woningbouwvereniging zover gekregen hem uit te zetten en hij had tot en met zondag om zijn bullen te pakken. Hopelijk waren dit zijn laatste spullen.
Ik keek in mijn brievenbus, maar er was na vanochtend niets nieuws meer bezorgd. In de badkamer controleerde ik mijn bovenlichaam op blauwe plekken na de uitzettingsactie waarvan ik het slachtoffer was, maar dat leek mee te vallen.
Zo. Dat was een voortijdig einde van een feestelijke avond. In plaats daarvan weer zo’n dooie avond, zoals ze zich al maanden aaneenregen. Ik zette de tv aan en drukte terwijl het beeld nog opkwam op de teletekstknop van de afstandsbediening om het laatste nieuws te scannen en te kijken hoe laat het was.
Tien uur.
Joan had er altijd verschrikkelijk de schurft aan als ik dit deed. Niemand die er nu iets van zei. Er zat geen triomf in het doorschakelen naar teletekst. Ik had het altijd al gedaan, al voor ik Joan kende en ik zou het blijven doen.
[***opzoeken wat er die dag op tv was***] Ik zapte langs de kanalen. De deur beneden ging open. Ik herkende de gehaaste voetstap van Marc, het knallen van zijn deur. Hij liep door zijn woning. Het was even stil. Ik liet mijn ogen weer naar de tv glijden.
‘Kaaaaaaaaaaaaanker!!!’
Goed, Marc was weer thuis. Ik hoefde niet bang te zijn voor een avondje stampende muziek, zijn installatie had ik een paar maanden geleden van de straat opgeveegd en naar het grofvuil gebracht, maar hij als hij zich moest afreageren jongleerde hij met de wasmachine, of gooide hij urenlang een stoel tegen de muur.
Ik probeerde het te negeren en zette de tv wat harder. Het overtrof het dreunen niet. Misschien moest ik maar even naar de friettent. Het handje nacho’s dat ik op Soledads bruiloft had genomen kon mijn honger niet stillen en als ik terugkwam was Marc misschien klaar met afreageren.
Ik neusde voor alle zekerheid door mijn etensvoorraad in keukenkastjes en koelkast, maar er was weinig kant en klaar eetbaars in huis. Ik was daar de laatste tijd wat slordig in geworden. Er was een tijd dat ik me twee weken in huis kon opsluiten zonder te verhongeren of te verdorsten.
De frituurlucht hing vet tussen de huizen van de Lange Smeestraat. Een jaar daarvoor was het interieur van ‘Shawarma Lange Smeestraat’ opgeknapt, maar de witte meubelpanelen met hun messingaccenten detoneerden met het pand uit een eeuw of wat eerder. Met een grove zaag waren er stukken uit het materiaal gehapt om het passend te maken. Schoonheid is een detail. Boven de frituur hingen lichtbakken met foto’s van het assortiment. Ik was allang opgehouden van die achterhaalde lijst te bestellen. Wat je wilde hebben wees je in de vitrine aan. Dan wist je zeker dat je je niet blij had gemaakt met een dode mus, gefrituurd en al.
Het was uitgestorven. Dit was het uur van de wolf van de friettent. Iedereen was nog te nuchter voor de geeuwhonger van de dronkelap en de stroom van passanten die sigaretten of halveliters kwamen halen was net opgedroogd. De halveliters in een friettent zijn als de staatsloten van de sigarenboer.
De vitrine van Shawarme De Smid was een eerlijke vitrine. Je kon zien dat de filet americain uit een worst kwam en het beleg voor het broodje ham uit blik.
‘Een grote friet zonder en twee kroketten,’ zei ik automatisch toen er eindelijk iemand naar voren kwam en plakte er mijn automatische glimlach aan. Het was De Magere. Er liepen drie mannen rond in de zaak. De Bolle, De Schele en De Magere. Er was ook een Vrouw In Een Sari Met Een Kind Op De Heup, maar die liep alleen af en toe door de zaak. Ik ging ik er vanuit dat ze allemaal familie van elkaar waren. En misschien ook allemaal eigenaar. De laatste jaren was hun Nederlands gelukkig verbeterd. Hun friet niet.
‘Alles goed, mienier?’ vroeg de magere. De voorgebakken diepvriesfriet liet het vet sissen.
‘Ja. Met jou ook?’ Ik voel me noch een ‘u’, noch iemand om met ‘u’ aangesproken te worden.
‘Woont oe hier vlakbij?’
‘Ja. In de Korte Smeestraat.’ Dat leek me duidelijk, dat je dichtbij woonde, als je hier friet kwam halen. Het was geen tent om voor om te rijden.
De Magere knikte.
Ik zweeg.
De Magere schudde de friet op. Het was een droevige activiteit, dat opgooien van friet die altijd te bleek de zak in ging. Hoe lang deden ze dat al? Waren kroketten en berenklauwen wel in overeenstemming met hun geloof, vroeg ik me opeens af.
‘Waar kom je vandaan?’ vroeg ik.
De Magere draaide zich om en ik herhaalde mijn vraag, maar nu iets langzamer. Hij noemde een plaats die me niets zei. Ngombo. ‘Waar ligt dat?’
‘Sri Lanka.’
Sri Lanka. Drie mannen en een vrouw in een tent die Shawarma Lange Smeestraat heet, waar ze te bleke friet bakken. En ze komen uit Sri Lanka.
‘Jullie zouden jullie Sri-Lankaanse hapjes moeten verkopen.’
De Magere keek me vragend aan.
Kut. Waarom heb ik mijn bek nou weer niet gehouden, dacht ik. Ik kom hier al jaren, ik bestel mijn eten, ze zeggen smakelijk eten als ik wegga, ik zeg bedankt en dat gaat al jaren goed. En nu zit ik verwikkeld in een gesprek dat ik helemaal niet wil. Maar het was te laat en daar stond ik dan omslachtig uit te leggen – antropoloog van de kouwe grond – dat de Nederlander een avontuurlijke eter was en graag iets nieuws probeerde, zolang het maar uit het vet kwam en op straat gegeten kon worden.
‘Iek ga oen keejr voor oe koken mienier. Iek maak Sri Lanka ‘apjes voor oe.’
‘Laat dat meneer maar zitten.’
Een vragende blik, van De Magere. Om niet te zeggen, een paniekerige blik.
‘Je hoeft geen meneer te zeggen. Zeg maar je. Ik kom hier al zo lang. Ik heet trouwens Michaël.’
De Magere begon te stralen. ‘Iek heejt Omar.’
Het werd gezellig, zeg. Nog even en de fotoalbums kwamen op tafel. Omar maakte een uitnodigend gebaar naar achteren. ‘Ik maak voor oe.’
‘Nu?’ Ik keek naar de zak met friet die klaar lag. Waarom ook niet. Veel te doen had ik toch niet deze avond.
Er lag een klein smoezelig keukentje achterin. Het werd niet meer gebruikt, maar er was nooit iets aan de aanrichting gedaan. Op het bestofte aanrecht stonden dozen met verpakkingsmateriaal. Frietbakjes. Bekers. Frikandellenbootjes. Vetvrije zakjes. Omar leek een beetje grauw in het licht van de tl-balken. Ik keek om zich heen. Wat viel hier in godsnaam te koken. Omar draaide zich om en reikte naar mijn hand.
‘Aangenaam,’ zei ik. Terwijl ik mijn hand terugtrok voelde ik Omars vingers over mijn handpalm kriebelen.
‘Begrijp jee?’ vroeg Omar.
Ik haalde mijn schouders op. Omar vroeg nogmaals om mijn hand en bracht die naar zijn gezicht. Ik kende ooit iemand die als begroeting je hand naar zijn voorhoofd bracht, een gebruik dat hij godweetwaar van had meegebracht. Ik verwachtte een Sri-Lankaans vriendschapsritueel (jezus, weer een ‘vriend’ erbij), maar in plaats daarvan likte Omar met een warme tong over mijn vingers.
Het viel me nu pas op wat een klein tenger mannetje Omar was. Het leek alsof je hem zo omver kon blazen, verfrommelen als een frietzakje, met zijn botjes als het gruis van friet onderin de punt meeknisperend. Maar voor zo’n klein mannetje had hij een enorme lul. Liefkozend hield Omar die in zijn vrije hand. Hij trok suggestief zijn wenkbrauwen op en liet – weinig suggestief – zijn tongpunt even naar buiten flitsen.
Ik schoot in de lach. Hoe stom kun je zijn. Ik trok snel mijn hand terug voor die gevuld was en zei: ‘Nee sorry, dat is niets voor mij.’ Ik liep de zaak binnen, die goddank nog steeds leeg was, gooide wat geld op de toonbank en nam mijn friet en twee kroketten.
Het had zo kort geduurd dat mijn eten nog warm was.
Ik had vaak genoeg alleen voor de tv gezeten met een grote friet zonder en twee kroketten. Maar deze keer, terwijl ik voor de koelkast gehurkt zat om de mayonaise (Zaanse, altijd die plastic potten Zaanse) te pakken overviel me opeens een hele grote eenzaamheid.
*