Hoofdstuk 1: Erectio Christo
De bruid greep zich aan me vast en boog kotsend over de balustrade van de Domtoren. Vijfentwintig meter lager kletterden in vloeibare vorm een lopend buffet, een receptie en een champagnetoren op straat.‘Zo Michaël. Gaat het met je?’ vroeg Soledad nadat ze zich opgericht had. Ze trapte de sigaret uit waarvan ze een kort trekje had genomen voor ze haar kunstje deed en depte haar gestifte lippen met een kanten zakdoekje.
‘Dat kan ik beter aan jou vragen. Gaat zo meteen je hoofd ook nog ronddraaien?’
Ze legde een hand op mijn arm en keek me met haar groene ogen afwachtend aan. ‘Maak je geen zorgen. Wat is er met je aan de hand? Wat doe je hier? Sta je al te wachten op een vallende ster?’
Dat waren drie vraagtekens op rij. Maar goed, wat deed ik daar dan ook op de eerste omloop van de Utrechtse Domtoren; terwijl ik een verdieping lager had kunnen staan, in de gezellige drukte met gezongen levenslopen, verkleedpartijen en mensen die ik niet kende. En eentje die ik te goed kende. Ik was liever dood. Ja. Maar geef dat maar eens als reden op aan een bruisende bruid. Voor je het weet denkt ze dat je haar feestje niet leuk vindt.
Soledad was expres op 12 augustus getrouwd omdat op deze nacht het hoogtepunt van de Perseïden viel. Dit jaar zou de sterrenregen groter zijn dan ooit, genoeg voor een paar miljoen wensen, eeuwige wereldvrede, genezing van aids & kanker gegarandeerd. Als huwelijkscadeau had ik een gids een sleutel weten te ontfutselen, zodat de hele club om middernacht zich boven op de Dom een ongeluk kon gaan wensen.
De enige wens die ik kon bedenken bij een ster, eerlijk gezegd, was dat hij vooral hard neer zou komen. Ik wist er wel een paar.
‘Ik zag je naar boven lopen en je kwam maar niet terug.’ Ze ging achter me staan en vouwde haar armen om me heen. Haar adem stonk, maar dat was slechts een klein smetje op de ervaring door andermans echtgenote stevig vast gehouden te worden.
‘Ach, hou op. Je kwam een stiekem sigaretje roken.’
‘Ook. Mijn laatste. Ik was bezorgd om je.’
‘Geef ik daar dan aanleiding toe, mevrouw Goderie?’
‘Jij mag me nog steeds Soledad noemen...’ Ze legde haar wang tegen mijn rug, waardoor ik haar laatste woorden niet meer verstond. Het voelde warm.
‘Wat?’
‘Ik mompel maar wat. Al is die naam niet meer van toepassing, zei ik. Ik zal nooit meer eenzaam zijn.’
‘Zo? Dus Soledad heeft De Ware gevonden?’
‘Lul.’ Ze liet me los en keek nog eens naar beneden. ‘Onze hond vrat zijn eigen kots op. Varkens schijnen die van mensen te vreten.’
‘Varkens en honden zijn viezeriken. Qua varkens en honden ben ik moslim. Je hebt een auto geraakt, zie ik.’
Ze grinnikte. ‘Ik geloof het ook, ja.’
Voorheen Soledad Greven, tot een maand of wat geleden mijn buurvrouw aan de andere kant van de hal in onderhuur, was het ééntachtig lange product van een Nederlandse ingenieur en een Mexicaanse mengelmoes van Spaans, Duits en erg veel Indiaans bloed. De naam Soledad – Eenzaamheid, hoe verzin je het – was niet het enige Mexicaanse aan haar. Ik heb niet veel op heb met uitspraken over de aard van een volk, maar Soledad was alles wat je aan vurigheid en wispelturigheid in een Latina kunt verwachten, inclusief Zuid-Amerikaans lijf (stevige kont, kleine tieten en de stevige benen om een matriarchaat op te bouwen), de wenkbrauwen van Frida Kahlo en een ijzeren geloof. Bidden voor het eten, keurig katholiek getrouwd in de kerk, het feest in de Michaëlskapel in de Domtoren.
We hadden kort tafel en bed met elkaar gedeeld, terwijl haar verloofde Paul iets nuttigs deed voor Artsen zonder Grenzen, of Boeren zonder Harken, of Armen zonder Benen, ik vergat het steeds. Soledad had duidelijk gemaakt dat het voorbij zou zijn als haar aanstaande terugkwam; de trouwdatum was vastgesteld. Niet dat het onder andere omstandigheden iets had kunnen worden. Ze was idealistisch, op een dodelijk vermoeiende manier. In Mexico Stad had ze stage gelopen bij een project om straatkinderen uit de prostitutie te halen. Dat waren waarschijnlijk dezelfde kinderen die door nonnen en paters gered waren uit de naaiateliers van schoen- en kledingmultinationals, en die nu op een andere manier hun moeder probeerden bij te staan.
De halllelujasferen waarin Soledad meestal verkeerde, de naïeve overtuiging van de goedheid van de mens en de drang alle onschuld te redden, contrasteerden scherp met de obscene toeren die ze in bed uithaalde. Vrouwen mogen geen priester worden van Rome, maar zij was mijn priesteres van de liefde, wat zeg ik, mijn Hogepriesteres van de Vinger in de Bibs, van de Weerlycke Liefde tot haar Roosemond, van Na Goudenregen komt Zonneschijn, van het Geknielde neemt en eet want dit is mijn Lichaam. Overgave is een talent dat zich niet tot religie beperkt, maar vertel mij niets over katholicisme. De hele kermis is me met de paplepel ingegoten. Ik heb alleen nooit doorgeslikt.
Afijn. Na drie weken Hoogliederen keek ze op tijdens het eten en deelde tussen rijst en zwarte kidneyboontjes mee: ‘Over een maand komt hij terug. Dan is dit afgelopen.’
Waarna ze me ’s avond in de bioscoop afzoog tijdens Four Weddings and a Funeral en we er een maand lang niet meer over praatten en als man en vrouw doorleefden. Voor haar was in haar eentje slapen zondiger was dan overspel plegen.
Ik denk dat Soledad en ik elkaar als een noodzakelijke stap in ons leven beschouwden. Ik was toe aan een tussenrelatie en zij wilde aandacht.
We namen zonder veel plichtplegingen afscheid van onze gezamenlijke geschiedenis toen haar aanstaande terugkwam uit het malarialand waar hij het woord van Drainage en Pesticide in de Gloria had verspreid.
Paul wist van niets. Ik heb hem zelfs samen met haar van het vliegveld opgehaald met mijn auto en haar een week later verhuisd — maar dat was ook om de schijn op te houden.
Niet te geloven dat de warmste dag van het jaar goed een week achter ons lag. Gelukkig legde Soledad haar armen weer om me heen. Van beneden uit de Michaëlskapel klonken af en toe flarden van profane feestmuziek.
‘Ik geloof dat het te laat is om It should have been me te roepen,’ zei ik.
Soledad maakte een snurkend geluidje. ‘Zeur niet man, jij wilt niet trouwen. Zeker niet met mij.’
‘Dat is waar. Je bent mijn type niet meer, je bent me te vet geworden.’
Ze lachte haar magisch-realistische lachje en ademde diep uit met een ‘Aaaah… Ik zou hier voorgoed kunnen blijven staan.’
Ik ook. Ik had daar ook voorgoed willen blijven staan, boven op de Domtoren.
‘En dan, mevrouw Goderie? Je leven als gargouille slijten, terwijl de elementen langzaam je gezicht wegslijten tot een karikatuur?’
‘Nou en? Dat doet het dagelijks leven ook. En sneller.’
Ze liet haar armen over mijn buik langzaam naar beneden glijden. Haar borsten drukten warm tegen mijn rug.
‘En wat voel ik hier? Een Domtorentje!’
‘Nee. Een Erectio Christo.’
‘Wat is dat nu weer?’
‘Een oud-misdienette als jij moet toch weten dat Jezus aan het kruis vaak met een stijve wordt afgebeeld. Om te laten zien dat hij mens was geworden. En om zijn herrijzenis alvast aan te kondigen. Je hoeft niet zo te verontwaardigd te gnuiven, ik verzin dit niet. Overigens schijnen mannen die worden geëxecuteerd altijd een dikke pik te krijgen, van de adrenalinestoot.’
Soledad kneep zacht met haar lange benige vingers. ‘Voor welk executiepeleton ben je bang dan?’
‘Ik ben niet bang. Ik herrijs. Iedere keer als ik jou zie.’ Ik maakte me met tegenzin los uit haar greep en gaf haar een kauwgommetje. De klokken sloegen langzaam. Negen keer.
‘Tijd om naar beneden te gaan, Assepoes. Voor ik in een pad verander. Of jij. Of jouw brave echtgenoot.’ Ik maakte aanstalten, maar Soledad bleef achter.
‘Ik moet nodig. Blijf even wachten, ik vind het eng hier in mijn eentje.’
Ze ging de hoek om. Haar rokken gingen ruisend omhoog. ‘Niet komen kijken, hoor,’ giechelde ze, ‘niet komen kijken.’ Ik hoorde haar plassen en overwoog haar haar zin te geven en te komen kijken, maar wandelde richting deur. Die met een klap opengegooid werd.
Het was niet de jaloerse echtgenoot die ik eigenlijk verwachtte, maar een mager mannetje dat meteen in plat-Utrechts begon te schreeuwen. ‘Welluke kankeh-lul hep er op m’n ootoo gekôôts?’ Hij had een een zwaluw in zijn schriele nekje getatoeëerd staan.
Kankeh-lul? Waar was de tijd van de ‘dáákhaos’ en de ‘ááchtelijke gláádiòòl’ gebleven? Die gezellige goede oude tijd van Lenie uit de Taakkestroat lag blijkbaar ver achter hem. Hij greep me meteen bij mijn keel en duwde me tegen de balustrade omhoog. Ik neem aan dat ik er schuldig uitzag.
Ik kende deze scène uit een film. Uit een stuk of tien zelfs. Ik vroeg me altijd af wat iemand voelde die half achterover over een reling bungelt en nu maakte ik het mee. Wat een geluk zeg, weer een ervaring rijker. Er drukte iets kils tegen mijn halsslagader, van metaal. Een boksbeugel of anders een hele dikke sleutelbos.
Dát voelde ik en verder eigenlijk helemaal niets.
Het deed wel pijn, die stenen die mijn rugwervels kneusden en mijn nieuwe speciaal voor de gelegenheid gekochte overhemd besmeurden en ik voelde mijn nek erg goed omdat mijn hoofd niet zo ver naar achteren kon als de bedoeling was en ook het dichtknijpen van mijn luchtpijp was niet heel erg prettig, elke kraakbeenring voelde ik, en ik had het idee dat mijn kruis nu wel een erg gemakkelijk doelwit was voor een knietje. Maar verder voelde ik helemaal niets. Ik was niet bang, ik vond het eigenlijk wel goed zo. Er kwam rust over me. Berusting, zal ik maar zeggen. Misschien was het zo wel goed, misschien was dit nou een voorbeeld van op de juiste en plaats en de juiste tijd zijn en met een beetje geluk zou ik boven op een vieze vette corpsbal neerkomen als ik onder aan de Domtoren. Kom, duw me verder, dacht ik, laat me vliegen en ik ontspande me.
Ik had wel eens eerder in een vergelijkbare situatie gezeten. Met mijn ouders aan weerskanten van me in de kamer van de conrector, die druk probeerden een dreigende verwijdering van school tegen te houden. De bijeenkomst kon tamelijk bepalend voor mijn toekomst zijn, maar ik kon mijn hoofd er niet echt bijhouden. Ik kon alleen maar naar het bordje ‘Alte Kuh gar leicht vergißt, daß Sie ein Kalb gewesen ist’ achter zijn rug kijken. De man gaf ook nog Duits. ‘Gewesen ist.’ Dat moest toch ‘gewesen sei’ zijn? De conrector was een zware roker. Zijn vingers stonken naar tabak. Net als die van mijn aanvaller. De weeë lucht van een dagelijkse blower wasemde uit zijn poriën, gekruid met een vleugje halitose in zijn adem en iets onbestemd zurigs. Van blowen kreeg je behoefte aan suiker. Lolly’s, cola, Red Bull, ik was blij dat ik zijn tandarts niet was. Oja, ik zag de eerste sterren. Een paar verwaaide condensstrepen. Zelfs de bovenkant van de Domkerk. Nog even en ik zag de straat. Er verscheen een witte vuurbal voor mijn ogen. Een beetje laat voor Maria om aan me te verschijnen…
‘Ophouden!’ riep Soledad. ‘Ik heb het gedaan. Ik heb over je auto gekotst.’
Het mannetje liet zijn greep verslappen en keek verbaasd opzij naar een furie in sneeuwwitte bruidsjurk die opeens de hoek om kwam wankelen, haar benen verstrikt in een kanten broekje. Ze schudde het stukje textiel met een achteloos gebaar van haar rechterenkel, alsof er een snoeppapiertje aan haar schoenzolen was blijven plakken, en liep naar ons toe.
Oh, Soledad, dacht ik, waarom doe je dit nu, je kunt echt niet de hele wereld redden en doe trouwens voor mij geen moeite. Ik gleed pijnlijk over de eeuwenoude stenen van de Domtoren naar beneden. Ik kreeg plotseling ontzettende behoefte te gaan lachen. Aan zijn haar te zien had het mannetje een auto met een open dak.
‘Ja, ik. Ik was het en ik deed het niet expres.’ Ze bleef op een veilige afstand staan.
‘Wat ben jij dan voor een kankeh-hoeh?’ beet hij haar toe, duidelijk van zijn a propos gebracht.
‘Ik ben geen kankerhoer. Ik ben zwanger. Sorry.’
Verbaasd liet het mannetje mijn keel los. Zouden we nu een daad van zinloos geweld gaan zien? Vrouwen worden ook in elkaar gebeukt, ik heb het vaak genoeg gezien, met bloedneuzen en losse tanden en al.
Ik zette me schrap.
‘Ik deed het niet expres,’ herhaalde Soledad.
Hij zette een stap naar achteren en keek verdwaasd naar mij – duidelijk niet de bruidegom – en naar Soledad in haar bruidsjurk, die zich daarnet dansend van haar broekje bevrijd had. Dit ging zijn bevattingsvermogen te boven. Hij draaide zich om en liep naar de deur. Voor hij naar beneden liep voegde hij ons de zwaarste belediging toe die hij kende. ‘Kankeh-studenteh.’
Soledad vloog me om de nek. ‘Michaël! Wat een idioot. Gaat het goed met je, heeft hij je geen pijn gedaan?’
Ik schudde mijn hoofd en probeerde over mijn schouder de schade aan mijn overhemd te schatten. ‘Ik heb niets.’
‘Allemachtig, wat ben jij voor iemand,’ zei Soledad. ‘Zo’n opgefokte idioot kiepert je bijna over de rand en dan sta je te kijken of je overhemd niet vies is. Ben je nou gestoord of koelbloedig?’
Ik stopte mijn overhemd terug in mijn broek. ‘Dit is toevallig een heel duur overhemd, dat heb ik speciaal voor vandaag gekocht. En over koelbloedig gesproken, goeie actie om te zeggen dat je zwanger bent. Zwangere vrouwen slaan ze niet.’
Ze liet haar ogen over me glijden, haalde diep adem en schudde toen zacht met haar hoofd. ‘Je bent dus gestoord en weet je...’
‘Wat?’
‘Niets, laat maar.’ Ze liep naar de deur. ‘Blijf maar even staan voor je naar beneden komt. Je theorie klopt.’
‘Welke?’
‘Die van het executiepeloton.’
Op het Domplein reed een auto met piepende banden weg. Vast de braakbal die van de lucht probeerde weg te racen, zoals ik een rondje om de Dom deed om van mijn schuldigverklaring af te komen.
In het donker lichtte iets op. Soledads broekje. Was het old, new, borrowed or blue? Het voelde in ieder geval nog warm aan, de warmte van haar majestueuze, de zwaartekracht tartende billen. Ik pulkte het inlegkruisje eruit en liet het als een dood koolwitje van de Dom af dwarrelen. Ik vouwde de bruidslingerie tot een piepklein pakketje en stak het in mijn kontzak.
Afijn. Er was niets gebeurd. Er was niets aan de hand. Geen deus ex machina. Alles was nog hetzelfde. Alles zou doorgaan zoals het al maanden ging. Ook al was mijn leven afgelopen.
*
Op het moment dat ik de laatste trede van de middeleeuwse trap miste en de Michaëlskapel binnenviel, kwam het hele feest tot een einde. Elk familielid en elke godvergeten zwager, buurman en oud-studiegenoot van het gelukkige paar draaide zich om en keek me beschuldigend aan vanwege het spoor van bloedneuzen, gebroken glaswerk en omgevallen tafels dat de proleet achtergelaten had.
Tenminste, zo dacht ik dat het zou gaan, maar mijn afwezigheid, die van de bruid en het bliksembezoek van gabbertje was blijkbaar niemand opgevallen.
Daar was ook volk genoeg voor. Soledad had een enorme vrienden- en kennissenkring en een grote familie. Zelfs de Mexicaanse kant was grotendeels aanwezig. En die hele kermis stond in een dik pak lekker de weg naar de uitgang te versperren. Mijn plan om ongezien weg te sluipen kon ik vergeten, er was geen doorkomen aan; ik zette noodgedwongen een stap terug naar de onderste trede van de trap.
Soledad zat op een stoel midden in een kring gasten en niets aan haar houding herinnerde aan ons avontuur een verdieping hoger. Ze straalde en ik had haar nooit eerder zo mooi gezien. De kapster en de schoonheidspecialiste hadden hun werk goed gedaan.
De verse echtgenoot stond op een geïmproviseerd podium midden in de hoge ruimte met een microfoon in zijn hand. Hij had voor haar een liedje geschreven. Nou ja, hij had Soley, Soley van Middle of the Road op Nederlandse tekst gezet. ‘Oh, Solé, Solé,’ galmde hij door de ruimte.
Soledad werd door haar vrienden en familie Solé genoemd. Ikzelf kreeg het nooit uit mijn bek, ik heb er enorm de schurft aan als mensen me ‘Miesj’ of ‘Miech’ noemen. Tijdens de serenade keek Soledad af en toe genietend om zich heen. Ik ving haar blik terwijl ik het gezelschap afzocht op zoek naar een zeker persoon. Ze glimlachte. Ik knikte en scande de ruimte verder af. De kust leek me veilig, dus ik waagde het erop en begon me langzaam door de menigte te wurmen. Weg van Soledad, weg van alles.
Soledad en Paul hadden een eigen invulling aan de bruiloft gegeven. Ze had me tevoren het dagprogramma al verklapt – huwelijksinzegening onder een eeuwenoude eik in een natuurgebied, ritueel boomplanten om de liefde te bezegelen en andere religieus-milieuvriendelijke uitspattingen – zodat ik wist dat ik dat kon overslaan.
Wat Soledad had met zielige weeskindjes in Mexico, dat had Paul met hamsters in Nederland en dwergapen in de tropen. Hij droeg zijn nietsontziende liefde voor de natuur uit met een zelfbedachte boerenklederdracht als trouwkostuum. Inclusief klompen. Bartje in de grootstad. Soledad zag eruit als een echte bruid, al had haar boeket voor het grootste deel uit een kunstig bewerkte schijfcactus bestaan, die haar Mexicaanse afkomst benadrukte. Benieuwd wie van de oude vrijsters die had opgevangen.
Het had allemaal wat meer indruk op me gemaakt als ze niet geëindigd waren op deze overdreven locatie. Met gitaren om het kampvuur, met peyote in de blote kont in een zweethut ter kosmische éénwording met de natuur, dat hadden ze moeten doen, in plaats van dit halve gedoe, om de familie tegemoet te komen. Ik haat dat, volwassen mensen die hun familie tegemoetkomen. De Michaëlskapel was peperduur om te huren en dan moest je ook nog zelf een tapinstallatie naar boven sjouwen. Het bleef altijd kil en donker in de Domtoren, hoeveel discolampen je er ook in hing en roken was er ook nog eens verboden. Mij benauwde het, de miljoenen tonnen zandsteen en dertig ton aan bronzen klokken boven me, met het carillon dat zo mooi de tune van GTST kon spelen en onder me de spagaat die de toren maakte om verkeer onder zich door te laten als een eeuwenoude opengehakte sequoia. Bussen, taxi’s en natuurlijk de auto’s van de lokale bevolking die het doorrijverbod interpreteerden als een stille hint.
Maar het idee hier je feest te houden bleef onweerstaanbaar. De toren was al eeuwen bezit van de gemeente Utrecht en letterlijk en figuurlijk losgemaakt van de kerk, waardoor er gelegenheid was voor wereldse zaken op en in de toren. Talkshows, dichtersavonden, productpresentaties. Daar kon een bruiloft met een handtastelijke bruid ook nog wel bij.
De catering was door het bruidspaar zelf ter hand genomen, wat neerkwam op gemacramé met Mon Chou in dadels, groentespiesjes, aardappelsalade en meer onsmakelijke voedselporno. Goddank waren er ook nacho’s. Heel veel nacho’s en guacemole en ik had nog niet gegeten, maar voor ik mijn druipend gedipte nacho kon wegkauwen werd ik ruw aangestoten door twee vrouwen. Het was De lachspiegel, zoals ik Soledads onafscheidelijk zussen altijd noemde. De drie zusjes Greven leken als een drieling op elkaar — op hun postuur na. Als je Soledad voor een lachspiegel zette kreeg je Concepçion, kort en kogelrond of Astrid, lang, kontloos en met een F-cup.
Ze kwamen giebelend tegenover me staan. ‘Hoi, Miech! We komen een feestcontrole houden. Heb je het naar je zin?’
‘Ja! Heb je het naar je zin?’ echode de ander.
Ge-O.H. Ze kwamen nog eens uitzoeken wat er zich tussen mij en hun zus had afgespeeld. Alsof ze dat niet wisten.
Ik greep een glas van een passerend dienblad. ‘Er is bier, er zijn nacho’s, je hoort mij niet klagen.’
De boezem van Astrid naderde me dreigend, maar voor ze me kon smoren zag ik hém uit een ooghoek op me afkomen. Eerder was ik voor hem omhoog gevlucht, als een slang voor een naderende prairiebrand, maar daar was ik niet veilig gebleken, ik zou naar beneden moeten, naar buiten. Omlaag was mijn enige uitweg.
Ik draaide me om en sprong in het wak dat iemand met een boompje van bankbiljetbloemen in de mensenmassa maakte, maar bij de enige tafel in de zaal bleef ik steken. Het was een grote ronde tafel. De ridders hadden er tot nu toe mat aan gehangen, de sfeer om zich heen van een tussentijdse kater op een zondagmiddag in een Brabants plattelandscafé. Op het moment dat ik probeerde te passeren stonden ze op en kwam ik klem in de massa. Ze gingen een stukje doen. Kut. Kut. Kut.
De tafelridders waren Pauls vrienden. Ik zag ze al in een rij door de stad lopen. Van café naar café. Gek hoedje op. Of misschien een T-shirt met opgestreken foto van de bruidegom als kind met een vuile luier. Paul in een kuikenpak. Bier aan de meter. De organisatoren met het meeste lol om hun gekke plan. De rest zat een beetje verveeld voor zich uit staren. Hun vriend Paul was ze ontgroeid en zij hem en elkaar. De een gescheiden, de ander kalend, gefrustreerd, impotent.
Meer dan een verleden deelden ze niet. Het stukje dat ze opvoerden maakte dat pijnlijk duidelijk. De bruidegom lachte braaf mee om de schalkse dubbelzinnigheden over poepluiers en seksloze huwelijken. Hun act eindigde met een liedje. De dunne stemmen – te ver van de microfoon, uit de maat, vals – werden al snel overstemd door het geroezemoes uit het publiek en losten op in de ijle lucht onder het plafond zodat al snel de uitgang zichtbaar werd.
Zo dichtbij en ook zo ver weg, dankzij de onvermijdelijke bruidsfotograaf. Hij kwam me vaag bekend voor. Zo te zien was hij een neef of een oud-huisgenoot, of een vriend van de familie, of een kunstenaar die eigenlijk als autonoom aan de bak wilde, maar de huur betaalde met het vastleggen van bruidjes, jubilerende oma’s en die iedere keer bad dat zijn flitser niet zou weigeren als de ringen werden omgedaan. Hij stond klaar om een foto van me te maken, een vlindervanger die van elk aanwezig soort een exemplaar wilde vastprikken. Geïrriteerd koos ik een andere weg en botste tegen degene op die ik al de hele avond wilde vermijden, van wie ik al een jaar gewenst had dat ik hem nooit tegengekomen was.
Ad Roovers had twee bier in zijn handen. Er was geen ontsnappen meer aan. Ik hing.
Ik was eerder die avond amper binnen of hij was op me afgestapt. Hij vroeg of ik hem nog kende en ik moest hem teleurstellen. Dat gebeurt de hele tijd. Ik kan van iedereen alles onthouden, behalve de naam en het gezicht en heb me aangeleerd met een glimlach te reageren op iedere blik die ik krijg op straat, zo’n glimlach die zoiets betekent als, ‘hé, hallo, leuk je weer te zien, maar drukdrukdruk, ik moet echte effe doorlopen’ en dat werkt gelukkig. Maar niet als iemand tegenover je staat op een feest.
‘Ad. Ad Roovers.’
‘Het spijt me. Waarschijnlijk zeg ik ‘O ja’ als je het me vertelt, maar ik kan er even niet opkomen. Heb je met mij gestudeerd? Kwam je wel eens in een huis waar ik woonde?’
‘Nee.’
‘O. Was jij niet het vriendje van...’
‘Nee.’
Toen gebeurde er iets vreselijks.
Hij zei het woord.
[ ]
Ik zag in slowmotion de letters uit zijn mond vallen.
Ze vielen kletterend op de grond en bleven daar.
Rinkelend.
Gebroken.
In scherven.
En hij bleef het woord maar zeggen.
Het galmde uit boven het op Nederlandse tekst gezette Sharp Dressed Man van ZZ Top dat inmiddels was ingezet.
‘Jij was het jurylid dat van de andere kandidaat [ ] (pijnlijk in mijn hoofd pokend) goedkeurde.’
Hij had hondenogen.
‘Ik was een van de kandidaten in Xandra’s Verjaardagsshow. Dat weet je toch nog? Ik had die keer gewonnen als je [ ] afgekeurd had.’
Van die verdrietige.
Oh, dacht ik.
Oh.
Oh.
Ik was misselijk.
Ik kreeg hoofdpijn.
Roovers nam een slok van zijn bier en liet het tegen zijn gehemelte bruisen. ‘Niemand begreep het, weet je. Ik heb er zo lang over nagedacht. Na afloop van de opname, op de afterparty, heb ik het nog aan je gevraagd en toen zei je dat het wel goed was en ik dacht, jij bent het jurylid, jij bent de taalexpert, jij zult er wel verstand van hebben, maar toen het een week later op tv kwam was er niemand die het begreep en we hebben nog gebeld naar de Taallijn, maar het was echt geen bestaand woord. Bij de producent, kom, hoe heetten ze ook alweer...’
‘Cachelot,’ zei ik behulpzaam, in plaats van mijn kop te houden.
‘Cachelot, ja, daar zeiden ze dat de beslissing van de jury bindend was en dat ze er niets meer aan konden doen en dat het niet uitmaakte omdat ik toch niet had kunnen winnen gezien de hele uitslag, maar dat was het juist, de hele uitslag was anders geweest.’
‘Ik weet het niet meer,’ zei ik, ‘het is al zo lang geleden. Als je het niet erg vindt... Ik moet even naar de wc.’
Ik draaide me en liep weg en trok de eerste deur die ik tegenkwam open. Voor ik het wist stond ik op de omloop van de Dom, klaar om de hele schijtzooi te ontlopen.
Maar Ad Roovers ontlopen bleek onmogelijk.
‘Zo,’ zei hij. ‘Ik dacht dat je naar huis was, maar je bent er nog.’
Hoe kom ik hier weg, dacht ik. Normaal had ik geen moeite om me van een gesprekspartner te ontdoen, maar een mengeling van angst, schaamte, misplaatste beleefdheid en… vooruit, het was alleen schaamte, weerhield me daarvan. En ook het contract dat ik ondertekend had waarin ik me aan vijf jaar zwijgen verplichtte.
‘Weet je dat je overhemd op de rug vol vegen zit?’
‘Ja. Dat is van de steen van waaronder ik vandaan gekropen ben.’
Roovers grinnikte zonder het te begrijpen. ‘Jij wás toch jurylid van Xandra’s Verjaardagsshow?’
‘Ja.’
‘En je weet niet meer waarover ik het heb?’
‘Er waren een heleboel afleveringen.’
‘Twaalf. En na de zesde ben jij ontslagen.’
‘Ontslagen? Ik ben freelancer, ik kan niet ontslagen worden. Mijn contract werd niet verlengd.’
Roovers haalde zijn schouders op. ‘Nou en. Het komt op hetzelfde neer. Johanna Biemans vertelde me dat ze veel geld hebben verloren door jou.’
Het kon me eigenlijk geen zak schelen dat een producent van televisie aan de strekkende meter verlies had geleden door een fout die ik had gemaakt, het was daar toch een kwestie van plussen en minnen en pispaaltjes zoeken. Tegelijk werd ik misselijk van de gedachte. Kon die fotograaf misschien eens deze kant opkomen?
Ik zag Soledad een blik mijn richting werpen. Ik fronste wanhopig mijn wenkbrauwen. Ze begreep me niet en draaide zich om.
‘Daar weet ik allemaal niets van. Ik doe zoveel dingen, ik had in die tijd vier dingen tegelijk lopen. Maar nu je het zegt begint me iets te dagen. Jij hebt toch een blonde vriendin? Langer dan ik?’
‘Nee, die heb ik niet.’
‘Ik weet het echt niet meer, dan.’
‘Die had ik wel, je hebt ook met haar gepraat toen, dat onthoud je dus wel. Maar ze is bij me weg. Ik heb zo lang lopen tobben over die show. Ik had nooit mogen verliezen. Op mijn werk begreep ook niemand het. Hele tijd grappen over mij gemaakt. Mijn vriendin kon er niet meer tegen en ze heeft het uitgemaakt. Anders was ze nu hier ook geweest. Als je [ ] had afgekeurd had ik gewonnen. Dan had ik de meeste woorden gehad. Dan was Marina nog bij me geweest.’
Ik greep achter me naar de tafel voor steun, maar die kwam van een andere kant. Soledad.
‘Hé, dat is grappig. Kennen jullie elkaar?’ vroeg ze lachend.
Ik haalde diep adem. ‘Nee,’ zei ik, ‘we dachten even van wel, maar dat bleek een vergissing.
Roovers keek me verbaasd aan. Hij nam een slok van zijn bier, schudde zijn hoofd en droop af.
Soledad, bruid zonder broekje, bleef naast me staan en nam voorzichtige slokjes van haar mineraalwater. Zwijgend.
Glimlachend.
Maar zwijgend.
‘Verstandig, mevrouw Goderie, glaasje water, verstandig, met zo’n lange nacht te gaan.’
Ze knikte. ‘Hoe gaat het met je rug? Je overhemd is goed smerig.’
‘Ik voel niets.’ Dat was niet waar. Door de omgekeerde Thaise massage leek ik elke zenuw in mijn lijf te voelen. Ik pakte het velletje papier uit haar hand met het liedje dat Paul voor haar had geschreven en scande er een beetje doorheen.
Ik stak het in mijn borstzakje. ‘Blij?’
‘Een man die een liedje voor je schrijft, dat is toch de droom van elke vrouw?’
‘Oei, hoor ik daar ironie?’
Er trok een wolkje over haar groene ogen. ‘Nee, Michaël, daar vergis je je in. Ik ben niet ironisch. En hou op met me mevrouw Goderie noemen.’
Op dat moment flitste de fotograaf recht in mijn ogen. Mooi. Soledad en ik samen in haar trouwalbum, ik was benieuwd of ze die zou inplakken.
‘Wie is de fotograaf?’ vroeg ik.
‘Dat is Chris, die ken ik viavia.’
‘Viavagina zal je bedoelen.’
Ze schudde zacht met haar hoofd en mimede dat ik een lul was.
‘Maar ik heb gelijk. Voor of na mij?’
‘Doet dat ertoe?’
‘Voor of na mij?’
‘Allemachtig, man. Voor jou, lang voor jou. Nog voor Paul.’
‘Je doet je naam geen eer aan, Soledad. Wat doet hij?’
‘Hij is fotograaf. Hij heeft bij mij in huis gewoond. Hij had een paar jaar geleden een opzienbarende expositie: een reeks hotelkamers met als laatste foto van het rijtje een vagina.’
‘Een Va. Gi. Na. Ja, die expositie heb ik gezien, die hing bij mij om de hoek op de Oudegracht.’
‘Dat je hem niet kent? Hij woont zowat om de hoek bij je. Ik zal hem zo aan je voorstellen. Hij is van oorsprong ook een Brabander. Jullie lijken heel erg op elkaar.’
Ik heb een hekel aan dat soort opmerkingen. Ten eerste leek hij helemaal niet op mij en ten tweede maak ik zelf uit of dat een reden is iemand beter te leren kennen. Meestal niet. Maar zoals altijd had ik weinig in te brengen tegen de manier waarop dingen gaan zoals ze gaan. Paul kwam er met aan afgemeten knikje bij staan om zijn bruidje in de gaten te houden, met in zijn kielzog de fotograaf die een plaatje van het gelukkige stel wilde maken. Ik vervulde mijn rol als vrolijke bruiloftsgast tot Paul en Soledad wel heel nadrukkelijk voor mijn neus begonnen te tongen. Na mijn welgemeende ‘Ga dat maar ergens anders doen,’ vertrokken ze (o, die blik van Soledad), waarna fotograaf Chris schaapachtig bij me bleef rondhangen.
‘Moet je niet van alle aanwezigen vastleggen dat ze geweest zijn?’ vroeg ik. ‘Een bewijs dat hun vijfentwintig gulden goed besteed is geweest?’
‘Ik ben al bijna zo ver. De meesten waren er afgelopen middag ook.’
Ik keek hem even aan terwijl hij door de ruimte keek op zoek naar een eventuele gemiste oma.
‘Verdient dat nog een beetje, zo’n bruidsreportage?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Voor Soledad doe ik het gratis. Na afloop krijgt ze van mij de rolletjes en dan moet ze maar zelf zien wat ze er mee doet. Ik heb er te slechte ervaringen mee. Het mag nooit wat kosten, maar het moet net zo mooi zijn als de foto’s van de bruidsfotograaf. En dat lukt gewoon niet als je ermee naar het Kruidvat gaat. Het doet me pijn als ze dat doen. Een slechte print kan de goede foto meteen verpesten. Dus als ze die foto’s zelf naar het Kruidvat brengen en bij me komen klagen dan zeg ik dat ik ze gewaarschuwd heb en dat ze naar een goed lab hadden moeten gaan. Maar daar betaal je per foto wat ze gewend zijn per rolletje te betalen. Ken je de marketingdriehoek? Er zijn drie manieren waarop je iets kan doen. Goed. Snel. Goedkoop. Maar alledrie is onmogelijk. Als het goed en snel moet kan het niet goedkoop, enzovoort...’
Hij ratelde nog een tijdje door terwijl ik aan mijn eigen zaken dacht. Ik was snel en goedkoop geweest en daarom niet goed. Bullshit, aan mij lag het niet.
Ik schrok op toen Chrisnogwatvanomdehoek een vraag stelde.
‘Wat zeg je, ik verstond het niet door de herrie,’ zei ik.
‘Ach, je hebt helemaal niet geluisterd,’ zei hij met een soort van grijns die me mateloos irriteerde.
‘Ik was afgeleid.’ Wat niet helemaal een leugen was, Ad Roovers bleef maar in de buurt rondhangen. Er zat hem blijkbaar nog iets dwars.
‘Ik vroeg wat je precies deed.’
‘Ik zet met een rood potlood een streep door andermans dromen.’
‘En dat houdt in?’
‘Dat ik puntjes op de i zet, punten invoeg, komma’s verschuif, bijwoorden in het gelid zet, hoofdletters plaats, zinnen een fatsoenlijke volgorde geef, werkwoorden juist verbuig, modieus taalgebruik uitroei en overbodig Engels snoei. Ik ruim de resten op van andermans taalgeknoei. Ik veeg uitglijers weg. Ik ben de vinger in de dijk die de taaldiarree moet tegenhouden. Ik ben de taalpolitie, wat zeg ik, de taal-ME.’
‘Wat je leuk vindt.’
‘Ik weet het, we kunnen niet allemaal de hele dag kutten fotograferen.’
Dat was flauw van me, ik geef het toe, maar van het idee dat hij ooit in Soledads kut had zitten koekeloeren werd ik erg chagrijnig en die rondsluipende Roovers werkte ook op mijn zenuwen. Gelukkig donderde de Chris meteen op.
Maar zoals altijd was het middel erger dan de kwaal. De kutfotograaf had amper zijn gekwetste kont gekeerd of Roovers nam zijn kans waar. Afijn, hij probeerde het.
En toen werd het slapstick, hij wist zich tussen mij en de uitgang te manoeuvreren. Ik draaide me weer om en voor ik het wist stond ik bij het geïmproviseerde podium. Soledad en Paul zaten op hun stoel verwachtingsvol te kijken. Vooral Soledad leek verrast, haar hand op haar buik. Hun ouders schuin achter hen op een stoel, het hele gezelschap in mijn richting kijkend. De ceremoniemeester keek me vragend aan, de microfoon in zijn hand. Het leek erop dat ik op een open podium terecht was gekomen.
Ik pakte de microfoon.
‘Ik was liever naar Soledads begrafenis gegaan dan naar haar bruiloft.’
Er klonk een verontwaardigd gesnuif uit de zaal.
‘Nee, laat me uitpraten. Dat moet jullie toch aanspreken met jullie Mexicaanse afkomst? Misschien is mijn beeld vertekend omdat ik meer begrafenissen dan bruiloften heb meegemaakt, maar ik vind begrafenissen gezelliger. Ik heb een grote familie en aan vaderskant zijn ze door de Tweede Wereldoorlog allemaal laat aan kinderen begonnen en aan moederskant zat er een zwakke bloedlijn ingeteeld. Dus ik weet: er gaat niets boven een goede Brabantse begrafenis, met een Brabantse koffietafel en veel Brabantse gezelligheid. Met de fles op tafel na afloop. Het klinkt misschien paradoxaal, maar er valt op begrafenissen meer te lachen dan op bruiloften. Zelfs toen de eerste uit mijn middelbare-schoolclubje overleed. Dat was natuurlijk niet de hypochonder die we een eikenhouten kist hadden toegezegd als hij vóór zijn dertigste dood zou gaan, maar het meisje dat ons allemaal leerde zoenen. Ze was pas vierentwintig. Je weetwel: vierentwintig, roken, de pil slikken en dan een hersenbloeding. Carola van BZN overleefde het. Zij niet. Haar ouders kwamen niet uit Brabant, dus na de teraardebestelling was het afgelopen. We hebben zelf maar spontaan een koffietafel georganiseerd aan de bar van ons oude stamcafé. Zonder koffie, worstenbrood of krentenmik, meteen de fles op tafel. Ik heb er goede herinneringen aan.
Verdriet en lol op een begrafenis zijn namelijk altijd echt. Het is de opluchting dat je de dans met Magere Hein bent ontsprongen. Daarbij, de dood haalt de angel uit mensen. Ooms worden opeens mensen. Klasgenoten die je alleen kende onder de bijnaam ‘Seksbom’, ‘Miep Kraak’, ‘Het ijzeren schip’ of ‘Durex’ blijken sympathieke gelijken. Lagere-schoolleraren worden gesprekspartners. De wilde wijven die zich na de schooldisco’s om beurten in de fietsenstalling lieten aflebberen – en jou niet, tot je grote frustratie, zijn veranderd in ongevaarlijke huisvrouwen die met 2 punt 4 kinderen in een Vinex-wijk in Zuid-Holland wonen, getrouwd met een wijkagent, zaterdag de weekendboodschappen, op maandagavond naar de sportschool.
Een begrafenis is altijd een ad hoc gebeurtenis. Zelfs na een langdurige ziekte is het overlijden ‘toch altijd nog onverwacht’, dus binnen vijf dagen verzamel je een bont gezelschap dat op het laatste moment vrij kon krijgen. Familie, buren, vrienden en kennissen die de advertentie in de krant hadden gelezen. En als het voorbij is moet je altijd toegeven dat het allemaal best meeviel met het verdriet. Nog lekker gegeten ook en de andere dag een louterende kater.
Als de begrafenis in Brabant was, natuurlijk.
Een bruiloft is ook afscheid. Het is alleen een frustrerend soort afscheid. Het is van dat halve gedoe, het grijze grauwe tussenschemergebied. Geen definitieve afsluiting, maar een brug achter je die voor jou verbrand wordt, terwijl al die tijd de overkant in het zicht blijft. De dood, daar kun je niets aan doen. Maar zo’n sukkel die een vrouw uit je kring wegneemt, dat is zo zinloos. Vooral als je haar begeerd hebt. Terwijl begrafenissen verbroederen, op begrafenissen gaan vetes met het lijk het graf in, moet je altijd maar afwachten of je wordt uitgenodigd voor een bruiloft. Of erger nog, dat je wel op de receptie mag komen, maar niet op het feest. Dan wordt er na jaren van vriendschappelijk omgang opeens een deur in je gezicht gegooid. Dan blijk je een soort van verre neef te zijn, beloond omdat je met kerst altijd braaf een kaartje bent blijven sturen. Op een gegeven moment wordt het hotelporselein opgeruimd, je krijgt geen tweede glas wijn meer, losse schilfertjes in het glimmende nootjesbakje grijnzen je aan en terwijl de rest met genoegen achterover leunt, de uitverkorenen, kun jij oprotten.
Maar misschien ben je daarmee beter af dan wanneer je wel gewenst bent en er van je verwacht wordt dat je met een blije kop meelacht met de leuke stukjes die onverstaanbaar zijn of en zonder inside-informatie onbegrijpelijk. Met een beetje pech heb je een week eerder ook nog in zo’n zielloze optocht achter de aanstaande bruidegom moeten lopen. Als een groepje Papendrechters in een kieltje waar de vouwen van de verpakking nog inzitten, dat op dinsdagmiddag op het Carnaval in Bergen op Zoom staat en maar niet begrijpt waarom het niet gezellig wil worden.’
Het bleef stil in de Michaëlskapel.
Tot iemand begon te klappen. Het was Soledad.
In een perfecte wereld, of een slechte Amerikaanse film, had ik nu na het aarzelende navolgen een staande ovatie gekregen en was ik op de schouders rondgedragen door een uitzinnig publiek. Maar hier in Utrecht bleef het bij een applaus van de Mexicaanse kant de familie, die er geen woord van had verstaan.
Het verrassendst was Paul, die naar me toe kwam. Hij gaf me een hand.
‘Ik wil je één ding duidelijk maken,’ zei hij. ‘Ik vermoedde altijd al dat je achter Sole aan zat. Maar ik wilde me niet laten kennen en misschien vergiste ik me. En Sole zei altijd dat ze dacht dat je homo was. Dat denk ik niet. Maar zet haar maar uit je hoofd. Mijn vrouw komt een beetje wild over met haar Zuid-Amerikaanse uiterlijk en dat schept wel eens verkeerde verwachtingen, daar heeft ze al haar hele leven last van, want vanbinnen is ze uit degelijk Hollands hout gesneden. Het is een van de meest oprechte vrouwen die ik ken. En als ik één zeker weet, ze is niet in je geïnteresseerd. Ik weet niet wat je met dit praatje wilde bereiken, maar als het de bedoeling was jezelf sympathiek te maken bij mij of de familie, dan heb je het mis. Helemaal mis.’
Ik geloof dat hij echt boos was, maar ik kon alleen maar denken aan dat ‘meest oprechte’. Anglicisme, zou je zeggen, al klinkt ‘oprechtste’ niet heel erg mooi. Het is ook moeilijk uit te spreken, dus misschien is het wel goed.
Mijn afwezige houding leek Paul wat milder gestemd te hebben. ‘Ach, laat ook maar, ik ben getrouwd met de liefste vrouw ter wereld en het is feest.’
‘Ja, het is feest,’ zei ik en vouwde het tekstblad met het liedje voor Soledad tot een hoedje en zette dat op Pauls hoofd.
‘Wat is dat?’ zei hij verrast.
‘Een alpenpetje,’ zei Ad Roovers, die al die tijd achter ons bleek te hebben gestaan.
Het woord. Hij zei het woord. Een vuist kneep mijn darmen samen en draaide ze een paar keer rond.
FLATS.
Weer die fotograaf met zijn flitser.
POK.
De fotograaf lag op de grond, met de afdruk van zijn camera in zijn gezicht.
En toen was het feest afgelopen. Voor mij.
‘Je moet maar gaan, Michael,’ zei Soledad.’Je bent niet meer aardig. Wat is er met je gebeurd de laatste paar maanden? Waarom ben je zo geworden? Mensen slaan en dat nog wel op mijn bruiloft. Dat valt me van je tegen.’
Ik had verwacht dat ze bozer zou zijn, de Latijnse furie die ze kon zijn als ze haar zin niet kreeg, maar ze was kalm en waardig en legde een vinger op mijn mond voor ik kon antwoorden. Het antwoord wilde ze niet eens weten. Ze rook lekker naar zweet.
En eerlijk is eerlijk. Ik zou mezelf eruitgegooid hebben, dus het was nog aardig wat ze deed. Soledad keek me zwijgend aan en ze boog zich naar me over. Ik dacht dat ze me ging kussen, maar in plaats daarvan zei ze zacht in mijn oor: ‘Ik wil je nooit meer zien. Voor mij besta je na vanavond niet meer. Als je me gaat bellen of schrijven, of als je door mijn straat gaat lopen dan ga ik onmiddellijk een straatverbod aanvragen.’ Waarna ze me alsnog op mijn mond kuste, zacht het puntje van haar tondg langs mijn tanden liet glijden en daarna de lipstick heel zacht en teder van mijn wang veegde. ‘En ik meen het.’
Dat deed pas pijn.
Veel meer pijn dan de Ronde-tafelridders me deden die me op verzoek van Soledad op ongezellige wijze richting de uitgang duwden, ondertussen onaangenaam tegen mijn pijnlijke ruggengraat pokend.
De boodschap was wel duidelijk, maar het leek me zinloos er nog woorden aan vuil te maken. Ik werd hardhandig de 45 treden van het poortgebouw afgeduwd, waarna de deur met een klap dicht viel.
Bijna tien uur. De avond was amper begonnen.
*
De bladeren aan de kastanjebomen die de Oudegracht omzoomden ritselden droger dan een paar weken eerder. Aan de overkant probeerde een opgefokte proleet zijn uitgebouwde Kadett door de rij wachtenden voor de vrijdagavonddisco van Tivoli te manoeuvreren. Hij liet zijn motor loeien maar kreeg niet meer dan schaapachtige blikken als reactie.
Het was driehonderdzesentachtig stappen terug. De losliggende klinkers van de Oudegracht rammelden onder mijn voeten als tanden in ziek tandvlees. Sinds mijn ontslag was er geen enkele reden meer voor tweeën thuis te zijn, maar ik wilde even geen gezeik meer aan mijn kop.