Het schaterende vriendinnetje achterop
Laatst liepen twee jongen voorbij waarvan er een zei: 'Ik verontwaardigde me aan zijn houding.' Mag ik me daar aan irriteren? Ik zal het me bedenken.
In 1990 adverteerde Van Dale Lexicografie in het Utrechts Universiteitsblad voor correctoren voor 'een project'. Ik deed als werkloze Neerlandicus een proefopdracht en werd anderhalf jaar corrector van de twaalfde druk van de Dikke van Dale.
Je moet je daar niet teveel van voorstellen. Ik kreeg een pak prints mee naar huis en gaf met krulletjes, streepjes en rondjes aan waar een vergissing, typefout of weglating zat. Verder was er een uitgebreid kleurenarsenaal aan post-it memo's en viltstiften die de verschillende correctierondes aangaven. Met de inhoud mocht ik me niet bemoeien. Mijn status ging ondanks dit suffe klerkenwerk met sprongen omhoog. Zo werd ik gevraagd als (vetbetaald!) taaldeskundig jurylid voor een spelprogramma van RTL4 en ik kon via een uitzendbureau kiezen uit verschillende correctie-klussen. Dat was ook wel nodig, want Van Dale Lexicografie beschouwde het werk als een eer. Je verdiende er maar de helft van normaal correctiewerk.
Zoals de ontmoeting met je lievelingsacteur, of het afspraakje met dat bewonderde meisje vaak tot een kille ontnuchtering kunnen leiden, zo raakte ik binnen een paar weken mijn heilige ontzag voor de Dikke van Dale kwijt.
Dat moest ook. De keren dat je rond je oren bent geslagen met een woord dat 'niet in de Dikke van Dale staat'; de krantenartikelen die beginnen met een omschrijving van een woord zoals in het woordenboek staat; de politicus die zijn gelijk bewijst met deel A-I in de hand… als er ergens met verwondering op de monumentale status van het driedelige woordenboek wordt gereageerd, dan is het bij Van Dale.
De redactie weet als geen ander dat de Nederlandse taal een levende verzameling woorden is, die je hooguit met een achterstand van acht jaar kunt beschrijven. Wat mag is wat gebeurt. Wat mag is wat iedereen doet.
Ik heb van nabij meegemaakt hoe woorden en hun beschrijvingen al dan niet in de Dikke terechtkomen. In mijn tijd wilde er wel eens een kleurig plakkertje losraken of een verkeerde viltstift gebruikt worden. Redacteuren zonder verstand van &endash; laten we zeggen &endash; veeteelt lazen over foutloos gespelde, maar verkeerde beschrijvingen heen. Als corrector ondiplomatiek een redacteur op een fout wijzen wilde ook niet helpen. Een bureaumedewerker heeft een slechte dag en een politicus verliest een argument in de Tweede Kamer. Komisch, niet waar?
Uit de volledig op computer gemaakte dertiende druk blijkt ook de invloed van de directe omgeving van de redacteuren op de woordkeuze. Zo meldde de Volkskrant dat het woord 'taakbalk' is opgenomen. Van Dale gebruikt dus pc's met Windows, want op een Macintosh heb je geen 'taakbalk' (eng, hè, dat MS NederlandseTaal 2.11b).
Als Neerlandicus heb ik niet meer verstand van taal dan de doorsnee Nederlander. Ik heb wel geleerd eerder te twijfelen aan de spelling van een woord, aan een zinsconstructie, of aan een betekenis. En ik heb ook geleerd waar je moet zoeken en hoe je de uitkomst moet interpreteren. Zeker als ex-corrector van Van Dale.
En ik weet ook hoe kneedbaar en veranderlijk de taal is, zoals blijkt uit het wederkerend worden van 'irriteren' en zelfs 'verontwaardigd'. Mooi? Nee! Fout? Ja!
Voorlopig, tenminste. Wan wat 'fout betreft is de Dikke geen verkeersagent die je een boete geeft, maar het vriendinnetje dat achterop zit en 'Wat doe je nu?' schatert als je tegen het verkeer infietst.
(Metro 5-10-1999)